Spreuken 28
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1De boze vlucht, ook al wordt hij niet vervolgd; De rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw.
1Gli empi fuggono, senza che alcuno li perseguiti; Ma i giusti stanno sicuri, come un leoncello.
2De misdaad van tyrannen doet twisten ontstaan; Door een verstandig man worden ze bijgelegd
2Come il paese, per li suoi misfatti, cangia spesso di principe; Così, per amor degli uomini savi ed intendenti, Il principe vive lungamente.
3Een man, die rijk is, maar de armen verdrukt, Is een regen, die wegspoelt, geen brood geeft.
3L'uomo povero, che oppressa i miseri, È come una pioggia strabocchevole, che fa che non vi è del pane.
4Die om de wet niet geven, prijzen den boze; Die de wet onderhouden, zijn kwaad op hem.
4Coloro che lasciano la Legge lodano gli empi; Ma coloro che la guardano fanno loro la guerra.
5Slechte mensen verstaan geen recht, Maar die Jahweh zoeken begrijpen alles.
5Gli uomini dati al male non intendono la dirittura; Ma quelli che cercano il Signore intendono ogni cosa.
6Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
6Meglio vale il povero che cammina nella sua integrità, Che il perverso che cammina per due vie, benchè egli sia ricco.
7Het kind, dat de Wet onderhoudt, is verstandig; Maar gaat het om met verkwisters, het maakt zijn vader beschaamd.
7Chi guarda la Legge è figliuolo intendente; Ma chi è compagno de' ghiottoni fa vergogna a suo padre.
8Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen.
8Chi accresce i suoi beni con usura e con interesse, Li aduna per colui che dona a' poveri.
9Wie weigert, naar de Wet te luisteren, Is een gruwel, zelfs als hij bidt.
9Chi rivolge indietro l'orecchio, per non udir la Legge, La sua orazione altresì sarà in abbominio.
10Wie brave mensen op het slechte pad brengt, Valt zelf in zijn eigen kuil. Deugdzamen zullen het goede verwerven
10Chi travia gli uomini diritti per via cattiva. Caderà egli stesso nella sua fossa; Ma gli uomini intieri erederanno il bene.
11Een rijkaard denkt, dat hij wijs is; Een arme, maar verstandige drommel doorziet hem.
11Il ricco si reputa savio; Ma il povero intendente l'esamina.
12Als de rechtvaardigen juichen, is de welvaart groot; Krijgen bozen de macht, dan zijn de mensen zoek.
12Quando i giusti trionfano, la gloria è grande; Ma quando gli empi sorgono, gli uomini son ricercati.
13Wie zijn zonden verheimelijkt, zal geen voorspoed hebben; Wie ze belijdt en laat varen, zal vergiffenis krijgen.
13Chi copre i suoi misfatti non prospererà; Ma chi li confessa, e li lascia, otterrà misericordia.
14Gelukkig de mens, die altijd angstvallig is; Wie zijn hart afstompt, valt in het kwaad.
14Beato l'uomo che si spaventa del continuo; Ma chi indura il suo cuore caderà nel male.
15Een brullende leeuw en een roofzuchtige beer: Dat is een goddeloos heerser over een behoeftig volk.
15Un signore empio, che signoreggia sopra un popolo povero, È un leon ruggente, ed un orso affamato.
16Een kortzichtig vorst maakt zich aan veel afpersing schuldig; Haat hij oneerlijke winst, dan leeft hij lang.
16Un rettore privo di ogni prudenza fa anche molte storsioni; Ma quel che odia l'avarizia prolungherà i suoi giorni.
17Een mens, die bezwaard is door bloedschuld, Moet tot het graf een vluchteling blijven, door niemand geholpen.
17L'uomo che fa violenza nel sangue alle persone, Fuggirà fino alla fossa, e niuno lo potrà sostenere.
18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil.
18Chi cammina in integrità sarà salvo; Ma il perverso, che cammina per due vie, caderà in un tratto.
19Wie een akker bebouwt, heeft eten genoeg; Wie zijn tijd verbeuzelt, zit volop in de armoe.
19Chi lavora la sua terra sarà saziato di pane; Ma chi va dietro agli uomini da nulla sarà saziato di povertà.
20Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend; Wie te spoedig rijk wil worden, blijft niet ongestraft.
20L'uomo leale avrà molte benedizioni; Ma chi si affretta di arricchire non sarà tenuto innocente.
21Partijdigheid is altijd verkeerd: Voor een stuk brood kan iemand een misdrijf begaan.
21Egli non è bene di aver riguardo alla qualità delle persone; E per un boccon di pane l'uomo commette misfatto.
22Een boosaardig mens wil spoedig rijk worden, Niet vermoedend, dat het gebrek hem wacht.
22Chi si affretta di arricchire è uomo d'occhio maligno, E non sa che povertà gli avverrà.
23Wie iemand vermaant, oogst later dank, Meer dan iemand met een gladde tong.
23Chi riprende alcuno ne avrà in fine maggior grazia Che chi lo lusinga con la lingua.
24Wie zijn vader en moeder berooft, en zegt: “Het is niet verkeerd”, Is een gezel van den misdadiger.
24Chi ruba suo padre e sua madre, E dice: Non vi è misfatto alcuno, È compagno del ladrone.
25Een hebzuchtig mens stookt ruzie; Wie op Jahweh vertrouwt, heeft het goed.
25Chi ha l'animo gonfio muove contese; Ma chi si confida nel Signore sarà ingrassato.
26Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered.
26Chi si confida nel suo cuore è stolto; Ma chi cammina in sapienza scamperà.
27Wie aan een arme geeft, krijgt geen gebrek; Wie zijn ogen voor hem sluit, wordt diep vervloekt.
27Chi dona al povero non avrà alcun bisogno; Ma chi nasconde gli occhi da esso avrà molte maledizioni.
28Krijgen bozen de macht, dan bergt zich de mens; Als zij ten onder gaan, worden de rechtvaardigen talrijk.
28Quando gli empi sorgono, gli uomini si nascondono; Ma quando periscono, i giusti moltiplicano.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.