Spreuken 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Mijn zoon, als ge mijn woorden aanvaardt, En mijn wenken ter harte neemt,
1FIGLIUOL mio, se tu ricevi i miei detti, E riponi appo te i miei comandamenti,
2Uw oren te luisteren legt naar de wijsheid, Uw aandacht richt op ervaring;
2Rendendo il tuo orecchio attento alla Sapienza; Se tu inchini il tuo cuore all'intendimento,
3Ja, als ge om wijsheid roept, En om inzicht uw stem verheft;
3E se tu chiami la prudenza, E dài fuori la tua voce all'intendimento;
4Als ge er naar streeft als naar geld, En er naar zoekt als naar schatten:
4Se tu la cerchi come l'argento, E l'investighi come i tesori;
5Dan zult ge de vreze voor Jahweh begrijpen, Zult ge vinden de kennis van God.
5Allora tu intenderai il timor del Signore, E troverai la conoscenza di Dio.
6Want Jahweh schenkt wijsheid, Van zijn lippen komen kennis en inzicht;
6Perciocchè il Signore dà la sapienza; Dalla sua bocca procede la scienza e l'intendimento.
7Hij houdt hulp bereid voor de braven, Is een schild voor mensen van onberispelijke wandel;
7Egli riserba la ragione a' diritti; Egli è lo scudo di quelli che camminano in integrità;
8Hij beschermt de paden des rechts, En beveiligt de weg van zijn dienaars!
8Per guardare i sentieri di dirittura, E custodire la via de' suoi santi.
9Dan zult ge verstaan wat recht is en plicht, Recht vooruit gaan op elk goed pad.
9Allora tu intenderai giustizia, giudicio, E dirittura, ed ogni buon sentiero.
10Want de wijsheid zal haar intrede doen in uw hart, De kennis zoet zijn voor uw ziel;
10Quando la sapienza sarà entrata nel cuor tuo, E la scienza sarà dilettevole all'anima tua;
11Het overleg zal over u waken, Het verstand de wacht bij u houden.
11L'avvedimento ti preserverà, La prudenza ti guarderà;
12Zij zullen u behoeden voor de weg van het kwaad, Voor den man, die leugentaal spreekt;
12Per liberarti dalla via malvagia, Dagli uomini che parlano di cose perverse;
13Voor hen, die het rechte pad hebben verlaten, En wandelen op duistere wegen;
13I quali lasciano i sentieri della dirittura, Per camminar per le vie delle tenebre;
14Voor hen, wie de misdaad een vreugde is, En die om boze plannen juichen,
14I quali si rallegrano di far male, E festeggiano nelle perversità di malizia;
15Die kronkelwegen gaan, En afdwalen op hun paden.
15I quali son torti nelle lor vie, E traviati ne' lor sentieri.
16Zij zullen u behoeden voor een vreemde vrouw, Voor een onbekende met haar gladde taal,
16Per iscamparti ancora dalla donna straniera; Dalla forestiera che parla vezzosamente;
17Die den vriend van haar jeugd heeft verlaten, Het verbond van haar God heeft vergeten.
17La quale ha abbandonato il conduttor della sua giovanezza, Ed ha dimenticato il patto del suo Dio.
18Want haar pad helt naar de dood, Naar de schimmen leiden haar wegen.
18Conciossiachè la casa di essa dichini alla morte, Ed i suoi sentieri a' morti.
19Wie zich met haar inlaat, keert nooit weerom, Bereikt nimmer de paden des levens!
19Niuno di coloro ch'entrano da essa non ne ritorna, E non riprende i sentieri della vita.
20Zo zult ge het pad der braven bewandelen, En de weg der rechtvaardigen houden.
20Acciocchè ancora tu cammini per la via de' buoni, Ed osservi i sentieri de' giusti.
21Want de vromen zullen de aarde bewonen, Alleen de onberispelijken blijven er op;
21Perciocchè gli uomini diritti abiteranno la terra, E gli uomini intieri rimarranno in essa.
22Maar de bozen worden van de aarde verdelgd, De afvalligen eruit weggevaagd!
22Ma gli empi saranno sterminati dalla terra, E i disleali ne saranno divelti.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.