Spreuken 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Waarachtig, de wijsheid roept, De schranderheid verheft haar stem!
1LA Sapienza non grida ella? E la Prudenza non dà ella fuori la sua voce?
2Zij staat langs de weg op de toppen der hoogten, Op het kruispunt der wegen,
2Ella sta in piè in capo de' luoghi elevati, in su la via, Ne' crocicchi.
3Opzij van de poorten, aan de ingang der stad, Waar men de poorten betreedt, predikt zij luid:
3Ella grida presso alle porte, alla bocca della città, All'entrata degli usci delle case ,
4Ik roep tot u, mannen, Ik spreek tot de kinderen der mensen:
4Dicendo : Io grido a voi, o uomini principali; E la mia voce s'indirizza ancora al volgo.
5Leert toch, onnozelen, wat schranderheid is, Verstaat toch, dwazen, wat wijsheid betekent!
5Semplici, intendete che cosa sia avvedimento; E voi stolti, intendete che cosa sia buon senno.
6Luistert, want wat ik zeg is zeker, Wat over mijn lippen komt is juist;
6Ascoltate; perciocchè io proporrò cose eccellenti; L'aprir delle mie labbra sarà di cose diritte.
7Mijn mond spreekt de waarheid, Van leugentaal hebben mijn lippen een afschuw.
7Conciossiachè il mio palato ragionerà di verità; Ma l'empietà è ciò che le mie labbra abbominano.
8Al mijn woorden zijn oprecht, Niet één ervan is misleidend of vals;
8Tutti i detti della mia bocca son con giustizia; In essi non vi è nulla di torto o di perverso.
9Voor wie ze verstaat, zijn ze allen treffend, Voor wie ze wil begrijpen, allen juist.
9Essi tutti son diritti agl'intendenti, E bene addirizzati a coloro che hanno trovata la scienza.
10Neemt liever mijn tucht aan dan zilver, Geeft aan kennis de voorkeur boven het fijnste goud;
10Ricevete il mio ammaestramento, e non dell'argento; E scienza, anzi che oro eletto.
11Want de wijsheid is meer waard dan juwelen, Geen kostbaarheid komt haar nabij!
11Perciocchè la sapienza è migliore che le perle; E tutte le cose le più care non l'agguagliano.
12Ik, wijsheid, ben met overleg vertrouwd, En beschik over weloverwogen kennis;
12Io, la Sapienza, abito nell'avvedimento, E trovo la conoscenza de' buoni avvisi.
13Maar hoogmoed en trots, een slechte levenswandel, En een wispelturige tong zijn een afschuw voor mij.
13Il timor del Signore è odiare il male; Io odio la superbia, e l'alterezza, e la via della malvagità, E la bocca perversa.
14Ik beschik over raad en beleid, Ik bezit doorzicht en kracht;
14A me appartiene il consiglio e la buona ragione; Io son la prudenza; a me appartiene la forza.
15Door mij zijn de koningen koning, En bepalen de leiders wat recht is;
15Per me regnano i re, Ed i rettori fanno statuti di giustizia.
16Door mij zijn de vorsten vorst, En zijn alle rechtvaardige rechters in aanzien.
16Per me signoreggiano i signori, Ed i principi, e tutti i giudici della terra.
17Die mij beminnen heb ik lief, En die mij zoeken, zullen mij vinden.
17Io amo quelli che mi amano; E quelli che mi cercano mi troveranno.
18Ik beschik over rijkdom en aanzien, Over duurzame welvaart en voorspoed;
18Ricchezze e gloria son meco; Beni permanenti e giustizia.
19Mijn vrucht is meer waard dan het edelste goud, Meer dan het fijnste zilver mijn oogst.
19Il mio frutto è migliore che oro, anzi che oro finissimo; E la mia rendita migliore che argento eletto.
20Ik wandel op de weg der gerechtigheid, Midden op de paden van het recht:
20Io cammino per la via della giustizia, In mezzo de' sentieri della dirittura;
21Om die mij beminnen, met bezit te verrijken, En hun schatkamers te vullen.
21Per fare eredare il vero essere a quelli che mi amano, Ed empiere i lor tesori.
22Jahweh schiep mij als zijn eerste gewrocht, Als het eerste werk, dat Hij ooit heeft gemaakt;
22IL Signore mi possedeva al principio della sua via, Avanti le sue opere, ab eterno.
23Van oudsher ben ik gevormd, Van den beginne, vóór de eerste tijden der aarde.
23Io sono stata costituita in principato ab eterno, Dal principio, avanti che la terra fosse.
24Toen er nog geen oceanen waren. was ik geboren, Toen er nog geen bronnen, rijk aan water, bestonden;
24Avanti che fossero abissi, Nè fonti, nè gorghi d'acque, io fui prodotta.
25Eer de bergen waren neergelaten, Eer de heuvels ontstonden, werd ik geboren,
25Io fui prodotta innanzi che i monti fossero profondati, Avanti i colli;
26Eer Hij de aarde had gemaakt en de velden, En alle grondstoffen der wereld.
26Mentre egli non avea ancora fatta la terra, nè le campagne, Nè la sommità del terreno del mondo.
27Toen Hij de hemel welfde, was ik aanwezig, Toen Hij een kring trok rond het vlak van de oceaan;
27Quando egli ordinava i cieli, io v' era ; Quando egli disegnava il giro sopra la superficie dell'abisso;
28Toen Hij daarboven de wolken bevestigde, En de bronnen van de oceaan begonnen te stromen;
28Quando egli fermava il cielo disopra; Quando egli fortificava le fonti dell'abisso;
29Toen Hij de zee haar grenzen stelde, Dat de wateren haar oevers niet zouden overschrijden; Toen Hij de fundamenten der aarde legde:
29Quando egli poneva il suo termine al mare, Talchè le acque non possono trapassare il suo comandamento; Quando egli poneva i fondamenti della terra;
30Was ik bij Hem als een troetelkind, Was ik elke dag zijn vermaak, Dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen,
30Ed era appo lui come un allievo, Ed era le sue delizie tuttodì; Io mi sollazzava in ogni tempo nel suo cospetto.
31Spelend op zijn wereldrond, En mij vermakend met de kinderen der mensen.
31Io mi sollazzo nella parte abitata della sua terra; Ed i miei diletti sono co' figliuoli degli uomini.
32Welnu dan kinderen luistert naar mij; Gelukkig zij, die mijn wegen bewaren;
32Ora dunque, figliuoli, ascoltatemi: Beati coloro che osservano le mie vie.
33Hoort naar de lessen, weest wijs, en verwerpt ze niet. En de wacht houden aan de posten van mijn poorten.
33Ascoltate l'ammaestramento, e diventate savi, E non lo schifate.
34Gelukkig de mens, die naar mij luistert, Die elke dag aan mijn deuren waken,
34Beato l'uomo che mi ascolta, Per vegliar tuttodì presso a' miei usci; Per istare a guardia agli stipiti delle mie porte.
35Wie mij vindt, heeft het leven gevonden, En welbehagen verkregen van Jahweh;
35Perciocchè chi mi trova trova la vita, Ed ottiene benevolenza dal Signore.
36Maar wie mij mist, benadeelt zichzelf, En al wie mij haten, beminnen de dood!
36Ma chi pecca contro a me fa ingiuria all'anima sua; Tutti quelli che mi odiano amano la morte.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.