Spreuken 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Van een valse weegschaal heeft Jahweh een afschuw, Hij houdt van een zuiver gewicht.
1Le bilance false sono cosa abbominevole al Signore; Ma il peso giusto gli è cosa grata.
2Komt de overmoed, dan komt ook de schande; Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
2Venuta la superbia, viene l'ignominia; Ma la sapienza è con gli umili.
3De vromen worden door hun deugd geleid; Hun eigen valsheid stort de zondaars in het verderf.
3L'integrità degli uomini diritti li conduce; Ma la perversità de' disleali di distrugge.
4Op de dag van gramschap kan rijkdom niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt van de dood.
4Le ricchezze non gioveranno al giorno dell'indegnazione; Ma la giustizia riscoterà da morte.
5De weg van den rechtvaardige wordt door zijn deugd geëffend, Maar de boze komt door zijn boosheid ten val.
5La giustizia dell' uomo intiero addirizza la via di esso; Ma l'empio caderà per la sua empietà.
6De rechtvaardigen worden door hun deugd gered, Maar de zondaars lopen door hun begeerlijkheid in de val.
6La giustizia degli uomini diritti li riscoterà; Ma i disleali saranno presi per la lor propria malizia.
7Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets
7Quando l'uomo empio muore, la sua aspettazione perisce; E la speranza ch'egli aveva concepita delle sue forze è perduta.
8De rechtvaardige wordt uit de verdrukking gered, En de boze komt in zijn plaats.
8Il giusto è tratto fuor di distretta; Ma l'empio viene in luogo suo.
9Met zijn mond tracht de onverlaat zijn naaste te gronde te richten, Maar door hun kennis worden de rechtvaardigen gered.
9L'ipocrito corrompe il suo prossimo con la sua bocca; Ma i giusti ne son liberati per conoscimento.
10Om de voorspoed der rechtvaardigen jubelt de stad, Maar er wordt gejuicht bij de ondergang der bozen.
10La città festeggia del bene de' giusti; Ma vi è giubilo quando gli empi periscono.
11Door de zegenbeden der deugdzamen komt een stad tot bloei, Door de mond der bozen wordt ze verwoest.
11La città è innalzata per la benedizione degli uomini diritti; Ma è sovvertita per la bocca degli empi.
12Een onverstandig mens smaalt op zijn naaste, Een man van inzicht zwijgt.
12Chi sprezza il suo prossimo è privo di senno; Ma l'uomo prudente tace.
13Wie lasterend rondgaat, verraadt licht een geheim; Een betrouwbaar karakter houdt de zaak vóór zich.
13Colui che va sparlando palesa il segreto; Ma chi è leale di spirito cela la cosa.
14Bij gebrek aan overleg komt een volk ten val, De redding berust op veel beraad.
14Il popolo cade in ruina dove non son consigli; Ma vi è salute in moltitudine di consiglieri.
15Slecht vergaat het hem, die borg blijft voor een vreemde; Maar wie de handslag mijdt, leeft gerust.
15L'uomo certamente sofferirà del male, se fa sicurtà per lo strano; Ma chi odia i mallevadori è sicuro.
16Een lieve vrouw dwingt eerbied af; Maar een vrouw, die oprechtheid haat, is een schandvlek. De luiaards krijgen geen vermogen Stoere werkers geraken tot welstand.
16La donna graziosa otterrà gloria, Come i possenti ottengono ricchezze.
17Een vriendelijk mens doet zich zelven goed, Een wreedaard kwelt zijn eigen vlees.
17L'uomo benigno fa bene a sè stesso; Ma il crudele conturba la sua propria carne.
18Een boze maakt winst, die niet gedijt; Maar wie gerechtigheid zaait, oogst waarachtig gewin.
18L'empio fa un'opera fallace; Ma vi è un premio sicuro per colui che semina giustizia.
19Een deugdzaam mens gaat ten leven; Maar wie het kwade najaagt, zoekt zijn eigen dood.
19Così è la giustizia a vita, Come chi procaccia il male lo procaccia alla sua morte.
20Jahweh heeft een afschuw van valse karakters, Maar welbehagen in hen, die onberispelijk wandelen.
20I perversi di cuore sono un abbominio al Signore; Ma quelli che sono intieri di via son ciò che gli è grato.
21De hand erop: een boze zal zijn straf niet ontlopen, Maar het geslacht der rechtvaardigen wordt behouden.
21Il malvagio d'ora in ora non resterà impunito; Ma la progenie de' giusti scamperà.
22Een gouden ring in een varkenssnuit, Is een knappe vrouw, die geen hersens heeft.
22Una donna bella, ma scema di senno, È un monile d'oro nel grifo d'un porco.
23De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn.
23Il desiderio de' giusti non è altro che bene; Ma la speranza degli empi è indegnazione.
24Er zijn mensen, die maar uitdelen, en nòg worden ze rijker; Anderen, die maar oppotten, en ze gaan achteruit.
24Vi è tale che spande, e pur vie più diventa ricco; E tale che risparmia oltre al diritto, e pur ne diventa sempre più povero.
25Iemand, die weldoet, wordt welgedaan; En wie iemand te drinken geeft, zal worden gelaafd.
25La persona liberale sarà ingrassata; E chi annaffia sarà anch'esso annaffiato.
26Wie het koren inhoudt, wordt door het volk verwenst, Maar een zegenbede daalt op het hoofd van wie het verkoopt.
26Il popolo maledirà chi serra il grano; Ma benedizione sarà sopra il capo di chi lo vende.
27Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen.
27Chi cerca il bene procaccia benevolenza; Ma il male avverrà a chi lo cerca.
28Wie op rijkdom vertrouwt, zal verwelken; Maar de rechtvaardigen botten als bladeren uit.
28Chi si confida nelle sue ricchezze caderà; Ma i giusti germoglieranno a guisa di frondi.
29Wie zijn huis verwaarloost, oogst storm; Een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens.
29Chi dissipa la sua casa possederà del vento; E lo stolto sarà servo a chi è savio di cuore.
30De vrucht der gerechtigheid is een levensboom, Het onrecht echter verwoest mensenlevens.
30Il frutto del giusto è un albero di vita; E il savio prende le anime.
31Als een rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, Hoeveel te meer dan de boze en de zondaar!
31Ecco, il giusto riceve la sua retribuzione in terra; Quanto più la riceverà l'empio e il peccatore?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.