Spreuken 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Van een valse weegschaal heeft Jahweh een afschuw, Hij houdt van een zuiver gewicht.
1Malvera pesilo estas abomenaĵo por la Eternulo; Sed plena pezo plaĉas al Li.
2Komt de overmoed, dan komt ook de schande; Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
2Se venis malhumileco, venos ankaŭ honto; Sed ĉe la humiluloj estas saĝo.
3De vromen worden door hun deugd geleid; Hun eigen valsheid stort de zondaars in het verderf.
3La senkulpeco de la piuloj gvidos ilin; Sed la falsemo pereigos la maliculojn.
4Op de dag van gramschap kan rijkdom niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt van de dood.
4Ne helpos riĉo en la tago de kolero; Sed bonfaremo savas de morto.
5De weg van den rechtvaardige wordt door zijn deugd geëffend, Maar de boze komt door zijn boosheid ten val.
5La justeco de piulo ebenigas lian vojon; Sed malpiulo falos per sia malpieco.
6De rechtvaardigen worden door hun deugd gered, Maar de zondaars lopen door hun begeerlijkheid in de val.
6La justeco de piuloj savos ilin; Sed la pasio de maliculoj ilin kaptos.
7Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets
7Kiam mortas homo pia, ne pereas lia espero; Sed la atendo de la pekuloj pereas.
8De rechtvaardige wordt uit de verdrukking gered, En de boze komt in zijn plaats.
8Piulo estas savata kontraŭ mizero, Kaj malpiulo venas sur lian lokon.
9Met zijn mond tracht de onverlaat zijn naaste te gronde te richten, Maar door hun kennis worden de rechtvaardigen gered.
9Per la buŝo de hipokritulo difektiĝas lia proksimulo; Sed per kompreno piuloj saviĝas.
10Om de voorspoed der rechtvaardigen jubelt de stad, Maar er wordt gejuicht bij de ondergang der bozen.
10Kiam al la piuloj estas bone, la urbo ĝojas; Kaj kiam pereas malpiuloj, ĝi estas gaja.
11Door de zegenbeden der deugdzamen komt een stad tot bloei, Door de mond der bozen wordt ze verwoest.
11Per la beno de piuloj urbo altiĝas; Kaj per la buŝo de malpiuloj ĝi ruiniĝas.
12Een onverstandig mens smaalt op zijn naaste, Een man van inzicht zwijgt.
12Kiu mokas sian proksimulon, tiu estas malsaĝulo; Sed homo prudenta silentas.
13Wie lasterend rondgaat, verraadt licht een geheim; Een betrouwbaar karakter houdt de zaak vóór zich.
13Kiu iras kun kalumnioj, tiu elperfidas sekreton; Sed kiu havas fidelan spiriton, tiu konservas aferon.
14Bij gebrek aan overleg komt een volk ten val, De redding berust op veel beraad.
14Ĉe manko de prikonsiliĝo popolo pereas; Sed ĉe multe da konsilantoj estas bonstato.
15Slecht vergaat het hem, die borg blijft voor een vreemde; Maar wie de handslag mijdt, leeft gerust.
15Malbonon faras al si tiu, kiu garantias por fremdulo; Sed kiu malamas donadon de mano, tiu estas ekster danĝero.
16Een lieve vrouw dwingt eerbied af; Maar een vrouw, die oprechtheid haat, is een schandvlek. De luiaards krijgen geen vermogen Stoere werkers geraken tot welstand.
16Aminda virino akiras honoron, Kaj potenculoj akiras riĉon.
17Een vriendelijk mens doet zich zelven goed, Een wreedaard kwelt zijn eigen vlees.
17Bonkora homo donos bonon al sia animo, Kaj kruelulo detruas sian karnon.
18Een boze maakt winst, die niet gedijt; Maar wie gerechtigheid zaait, oogst waarachtig gewin.
18Malvirtulo akiras profiton malveran, Kaj la semanto de virto veran rekompencon.
19Een deugdzaam mens gaat ten leven; Maar wie het kwade najaagt, zoekt zijn eigen dood.
19Bonfarado kondukas al vivo; Kaj kiu celas malbonon, tiu iras al sia morto.
20Jahweh heeft een afschuw van valse karakters, Maar welbehagen in hen, die onberispelijk wandelen.
20Abomenaĵo por la Eternulo estas la malickoruloj; Sed plaĉas al Li tiuj, kiuj iras vojon pian.
21De hand erop: een boze zal zijn straf niet ontlopen, Maar het geslacht der rechtvaardigen wordt behouden.
21Oni povas esti certa, ke malvirtulo ne restos senpuna; Sed la idaro de virtuloj estos savita.
22Een gouden ring in een varkenssnuit, Is een knappe vrouw, die geen hersens heeft.
22Kiel ora ringo sur la nazo de porko, Tiel estas virino bela, sed malbonkonduta.
23De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn.
23La deziro de virtuloj estas nur bono; Sed malvirtuloj povas esperi nur koleron.
24Er zijn mensen, die maar uitdelen, en nòg worden ze rijker; Anderen, die maar oppotten, en ze gaan achteruit.
24Unu disdonas, kaj riĉiĝas ĉiam pli; Alia tro avaras, kaj tamen nur malriĉiĝas.
25Iemand, die weldoet, wordt welgedaan; En wie iemand te drinken geeft, zal worden gelaafd.
25Animo benanta ĝuos bonstaton; Kaj kiu trinkigas, tiu mem havos sufiĉe por trinki.
26Wie het koren inhoudt, wordt door het volk verwenst, Maar een zegenbede daalt op het hoofd van wie het verkoopt.
26Kiu retenas grenon, tiun malbenas la popolo; Sed beno venas sur la kapon de tiu, kiu disdonas.
27Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen.
27Kiu celas bonon, tiu atingos plaĉon; Sed kiu serĉas malbonon, tiun ĝi trafos.
28Wie op rijkdom vertrouwt, zal verwelken; Maar de rechtvaardigen botten als bladeren uit.
28Kiu fidas sian riĉecon, tiu falos; Sed virtuloj floros kiel juna folio.
29Wie zijn huis verwaarloost, oogst storm; Een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens.
29Kiu detruas sian domon, tiu heredos venton; Kaj malsaĝulo estas sklavo de saĝulo.
30De vrucht der gerechtigheid is een levensboom, Het onrecht echter verwoest mensenlevens.
30La frukto de virtulo estas arbo de vivo; Kaj akiranto de animoj estas saĝulo.
31Als een rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, Hoeveel te meer dan de boze en de zondaar!
31Se virtulo ricevas redonon sur la tero, Tiom pli malvirtulo kaj pekulo!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.