Jacobus 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Jakobus, dienaar van God en van den Heer Jesus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: heil!
1Jakobo, servisto de Dio kaj de la Sinjoro Jesuo Kristo, al la dek du triboj, kiuj estas dispelitaj: Saluton!
2Mijn broeders, acht het een zeer grote vreugde, wanneer gij in allerhande bekoringen valt.
2Rigardu ĉion kiel ĝojigan, miaj fratoj, kiam vi falas en diversajn tentojn,
3Want gij weet, dat de beproeving van uw geloof de oorzaak is van geduld;
3sciante, ke la provado de via fido faras paciencon.
4welnu, het geduld behoeft slechts volkomen te worden, dan zijt gij volmaakt en ongerept, en schiet gij in niets te kort.
4Kaj la pacienco havu sian perfektan faradon, por ke vi estu perfektaj kaj kompletaj, ne havante mankon.
5Komt iemand van u dan wijsheid te kort, hij vrage ze aan God, die ze aan allen verleent, eenvoudigweg en zonder verwijt; dan zal ze hem geschonken worden.
5Sed se al iu el vi mankas saĝeco, li petu Dion, kiu donacas al ĉiuj malavare kaj ne riproĉas, kaj ĝi estos al li donata.
6Maar hij moet vragen met geloof en zonder te weifelen; want wie weifelt, gelijkt op een golf van de zee, die door de wind wordt bewogen, en heen en weer wordt geslingerd.
6Sed li petu en fido, neniel dubante; ĉar la dubanto similas ondon de la maro, ventopelatan kaj skuatan.
7Zo iemand toch verbeelde zich niet, dat hij iets van den Heer zal ontvangen;
7Ĉar tiu homo ne pensu, ke li ricevos ion de la Sinjoro —
8dubbelhartig man als hij is, ongestadig in heel zijn gedrag.
8duoblanima homo, ŝanceliĝa en ĉiuj siaj vojoj.
9Laat de broeder van nederige staat zich op zijn verheffing beroemen.
9Sed la malaltranga frato ĝoju pri sia alteco;
10Maar de rijke op zijn geringheid; want hij zal verdwijnen als een bloem in het gras.
10kaj la riĉulo pri sia humiliĝo; ĉar kiel floro de herbo li forpasos.
11Want de zon gaat op met haar gloed en doet het gras verdorren; dan valt ook zijn bloem, en haar schoonheid vliedt heen. Zo zal ook de rijke verkwijnen op zijn levenspad.
11Ĉar la suno leviĝas kun la brulvento kaj sekigas la herbon, kaj ĝia floro falas, kaj la gracio de ĝia formo pereas; tiel ankaŭ la riĉulo velkos en siaj vojoj.
12Zalig de man, die staande blijft bij de bekoring; want wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben.
12Feliĉa estas la homo, kiu elportas tenton; ĉar kiam li estos elprovita, li ricevos la kronon de vivo, kiun la Sinjoro promesis al tiuj, kiuj lin amas.
13Niemand mag zeggen, als hij bekoord wordt: ik word door God bekoord. Want evenmin als God zelf door het kwaad wordt bekoord, brengt Hij wien ook in bekoring.
13Neniu diru, kiam li estas tentata: Mi estas tentata de Dio; ĉar Dio ne estas tentebla de malbono, kaj Li mem tentas neniun;
14Neen, iedere mens wordt door zijn eigen begeerlijkheid bekoord, verleid en verlokt;
14sed ĉiu estas tentata, kiam li estas fortirata de sia dezirado, kaj delogata.
15wanneer dan de begeerlijkheid is bevrucht, baart ze de zonde, en als de zonde volgroeid is, brengt ze de dood.
15Tiam la dezirado, gravediĝinte, naskas pekon; kaj la peko, maturiĝinte, naskas morton.
16Bedriegt u niet, mijn geliefde broeders.
16Ne trompiĝu, miaj amataj fratoj.
17Niet dan goede gift en volmaakte gave komt van boven, en daalt neer van den Vader der lichten, bij wien geen verandering bestaat of schaduw van wisselvalligheid.
17Ĉiu bona donaĵo kaj ĉiu perfekta donaco estas de supre, malsuprenvenante de la Patro de lumoj, ĉe kiu ne povas ekzisti ŝanĝo, nek ombro de sinturnado.
18Uit vrije wil heeft Hij ons door de prediking der waarheid verwekt, opdat we de eersteling zijner schepselen zouden zijn.
18Laŭ Sia propra volo Li naskis nin per la vorto de la vero, por ke ni estu kvazaŭ unuaaĵo de Liaj kreitaĵoj.
19Verstaat dit goed, mijn geliefde broeders! Een ieder zij vlug in het horen, maar traag in het spreken, traag in de toorn;
19Tion vi scias, miaj amataj fratoj. Sed ĉiu rapidu aŭdi, malrapidu paroli, malrapidu koleri;
20want ‘s mensen toorn bewerkt geen gerechtigheid Gods.
20ĉar la kolero de homo ne efektivigas la justecon de Dio.
21Legt daarom alle onreinheid af en uitwas van boosheid, maar neemt met zachtmoedigheid het woord in u op, dat op u is geënt, en dat uw zielen kan redden.
21Tial, formetinte ĉian malpurecon kaj superfluon de malico, akceptu kun humileco la enplantitan vorton, kiu povas savi viajn animojn.
22Weest werkers van het woord, en niet hoorders alleen; anders bedriegt gij uzelf.
22Sed estu plenumantoj de la vorto, kaj ne nur aŭskultantoj, trompantaj vin mem.
23Immers, wanneer iemand het woord aanhoort, maar er zich niet naar gedraagt, dan gelijkt hij op een man, die zijn gelaat, door de natuur hem geschonken, in een spiegel beziet;
23Ĉar se iu estas aŭskultanto de la vorto, kaj ne plenumanto, li similas iun, kiu rigardas sian naturan vizaĝon en spegulo;
24want als hij toegekeken heeft en heen is gegaan, is hij aanstonds vergeten, hoe hij er uitzag.
24ĉar li sin rigardas kaj foriras, kaj tuj forgesas, kia li estis.
25Maar hij, die met volle aandacht de volmaakte wet der vrijheid beschouwt, en zich er ook naar gedraagt, —geen vergeetachtig hoorder, maar een man van de daad, —hij zal zalig worden door zijn werken.
25Sed tiu, kiu fikse rigardas en la perfektan leĝon, la leĝon de libereco, kaj tiel restas, ne estante aŭskultanto, kiu forgesas, sed plenumanto, kiu energias, tiu estos benata en sia faro.
26Zo iemand vroom meent te zijn, maar zijn tong niet beteugelt, dan bedriegt hij zichzelf, en zijn vroomheid is ijdel.
26Se iu ŝajnas al si religia, ne bridante sian langon, sed trompante sian koron, ties religio estas vanta.
27Reine en vlekkeloze vroomheid in de ogen van God en den Vader is deze: zorg te dragen voor wezen en weduwen in hun rampspoed, en zich onbesmet van de wereld te houden.
27Religio pura kaj senmakula antaŭ nia Dio kaj Patro estas jena: viziti orfojn kaj vidvinojn en ilia mizero, kaj sin gardi sen malpuriĝo de la mondo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.