Spreuken
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Londona Biblio (Es…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
1Kiel neĝo en somero, kaj kiel pluvo en tempo de rikolto, Tiel ne konvenas honoro por malsaĝulo.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
2Kiel birdo forleviĝas, kiel hirundo forflugas, Tiel senkaŭza malbeno ne efektiviĝas.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
3Vipo estas por ĉevalo, brido por azeno, Kaj bastono por la dorso de malsaĝuloj.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
4Ne respondu al malsaĝulo laŭ lia malsaĝeco, Por ke vi mem ne fariĝu egala al li.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
5Respondu al malsaĝulo laŭ lia malsaĝeco, Por ke li ne estu saĝulo en siaj propraj okuloj.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
6Kiu komisias aferon al malsaĝulo, Tiu tranĉas al si la piedojn kaj sin suferigas.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
7Kiel la kruroj de lamulo pendas peze, Tiel estas sentenco en la buŝo de malsaĝuloj.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
8Kiel iu, kiu alligas ŝtonon al ĵetilo, Tiel estas tiu, kiu faras honoron al malsaĝulo.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
9Kiel dorna kano en la mano de ebriulo, Tiel estas sentenco en la buŝo de malsaĝuloj.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
10Kompetentulo ĉion bone faras; Sed kiu dungas pasantojn, tiu dungas malsaĝulojn.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
11Kiel hundo revenas al sia vomitaĵo, Tiel malsaĝulo ripetas sian malsaĝaĵon.
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
12Ĉu vi vidas homon, kiu estas saĝa en siaj okuloj? Estas pli da espero por malsaĝulo ol por li.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
13Maldiligentulo diras: Leono estas sur la vojo, Leono estas sur la stratoj.
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
14Pordo turniĝas sur sia hoko, Kaj maldiligentulo sur sia lito.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
15Maldiligentulo ŝovas sian manon en la poton, Kaj ne volas venigi ĝin al sia buŝo.
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
16Maldiligentulo estas en siaj okuloj pli saĝa, Ol sep veraj saĝuloj.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
17Pasanto, kiu sin miksas en malpropran disputon, Estas kiel iu, kiu kaptas hundon je la oreloj.
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
18Kiel frenezulo, kiu ĵetas fajron, Sagojn, kaj morton,
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
19Tiel estas homo, kiu trompas sian proksimulon, Kaj diras: Mi ja ŝercas.
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
20Kie ne estas ligno, estingiĝas la fajro; Kaj se ne estas kalumnianto, ĉesiĝas malpaco.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
21Karbo servas por ardaĵo, ligno por fajro, Kaj homo malpacema por provoki malpacon.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
22La vortoj de kalumnianto estas kiel frandaĵoj, Kaj ili penetras en la profundon de la ventro.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
23Varmegaj lipoj kun malica koro Estas nepurigita arĝento, kiu kovras argilaĵon.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
24Malamanto havas maskitajn parolojn, Kaj en sia koro li preparas malicon.
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
25Kiam li ĉarmigas sian voĉon, ne kredu al li; Ĉar sep abomenaĵoj estas en lia koro.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
26Kiu trompe kaŝas malamon, Tiu aperigos sian malbonecon en popola kunveno.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
27Kiu fosas foson, tiu falos en ĝin; Kaj kiu rulas ŝtonon, al tiu ĝi revenos.
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
28Mensogema lango malamas tiujn, kiujn ĝi dispremis; Kaj hipokrita buŝo kaŭzas pereon.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.