Spreuken
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Baibal Olcim (Matu…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Baibal Olcim (Matupi Chin)
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
1Khohal kah vuelsong neh cangah vaengkah khotlan baghui la, thangpomnah khaw hlang ang neh rhoeprhui tangloeng pawh.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
2Vaa a rhaehba bangla, pumpil a ding bangla, rhunkhuennah he lunglilungla la a thoeng moenih.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
3Marhang ham rhuihet, laak ham kamrhui, aka ang rhoek kah a nam ham cungcik om.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
4Hlang ang kah a anglat te doo boeh, namah khaw anih bangla na om ve.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
5Hlang ang te a anglat bangla a doo dae, a mikhmuh ah hlang cueih la om hae mahpawh.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
6Hlang ang kut ah ol aka pat tah a kho a kuet tih kuthlahnah aka mam la om.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
7Aka khaem kah a kho sut a bat banghui la, hlang ang rhoek ka kah thuidoeknah he khaw om.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
8Hlang ang taengah thangpomnah paek he, payai dongah lungto mop banghui la om tangloeng.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
9Hlang ang ka kah thuidoeknah he khaw yurhui kut dongah aka pha mutlo hling bangla om.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
10Hlang ang aka paang boeih khaw aka cetpaitai a paang tih lithen a poeih banghui la om.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
11Ui loh a lok a paan banghui la hlang ang loh a anglat te a khoep.
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
12Hlang he amah mikhmuh ah tah aka cueih la na hmuh. Anih lakah hlang ang ham ngaiuepnah om ta.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
13Kolhnaw loh, “Longpuei ah sathueng ca, toltung ah sathueng om,” a ti.
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
14thohkhaih loh thohrhui dongah a tinghil bangla, kolhnaw khaw amah thingkong dongah suvaih.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
15Kolhnaw loh bael dongah a kut a puei te, a ka dongla koep a khuen ham pataeng a ngak.
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
16Kolhnaw he amah mikhmuh ah tah, omih neh aka thuung hlang parhih lakah aka cueih la ngai uh.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
17Amah hut pawt ah tuituknah khuiah aka kun khaw, aka cetpaitai loh ui hna a doek banghui la om.
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
18Thaltang neh dueknah hmaipom aka dong loh hlang a khah bangla,
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
19A hui aka phok hlang van loh, “Ka luem mailai moenih a?,” a ti.
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
20Thing a tlum atah hmai a thi bangla a thet pawt daengah ni olpungkacan a paa.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
21Hmai-alh dongah hmaisa-aek, hmai dongah thing a pup vanbangla, hohmuhnah neh olpungkacan aka saii hlang loh tuituknah a puek sak.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
22Thet ol he didii tih bungko khui la suntla.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
23Lungbuei thae neh a lai hmai la aka alh tah, paikaek dongkah cakhli a ben banghui ni.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
24A hmuilai dongkah a hmuhuet te a ka dongah loha coeng dae, a khui kah hlangthai palat te a thuh bal pueng.
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
25A ol tah rhen koemboei la om dae, anih te tangnah boeh. A lungbuei ah tueilaehkoi parhih om.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
26hmuhuetnah te thailainah neh dah cakhaw, hlangping taengah a boethae ni a yan eh.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
27Vaam aka vuet khaw amah loh a cungku thil vetih, lungto aka palet khaw amah soah koep mael ni.
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
28Laithae ol loh amah aka hnaep aka hnap te a hmuhuet tih, a ka aka hnal khaw a ponah ni a saii.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.