Spreuken 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
1Як лїтом снїг, а в жнива дощ, так дурневі почесть не лицює.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
2Як пурхне горобець і ластівка полине, так і незаслужене прокляттє прогуде.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
3Як пуга на коня, як на осла лозина, так на дурних ломака.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
4Не відказуй безумному по дурному, щоб не стався похожим на його.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
5Не відказуй безумному по дурощам його, щоб він не вважав себе мудрим ув очах своїх.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
6Той ноги сам собі підрізує на свою муку, хто розпорядок свій дає через дурного.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
7Як ноги в кривого підоймаються не рівно, так само й приповість в устах безумних.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
8Що камінь дорогий укладати в пращу, те саме — дурневі віддати шану.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
9Що в пяного в руцї колючая тернина, — те приповість ув устах дурного.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
10Розумний господарь усячину сам робить, дурний наймає всїх, кого де нї зустріне.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
11Як пес вертаєсь до блювотини своєї, так дурний повторяє дурощі свої.
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
12Бачив ти чоловіка, що себе за мудрого має? На дурного більш надїї, анїж на такого.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
13Лїнивий каже: „Лев на дорозї! лев на царинї!‟
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
14Як двері обертаються все на своїх завісах, так легун — на свойму ложі.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
15Лїнивий спускає руку свою в миску, та тяжко йому донести її до рота.
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
16Легун здається сам собі мудрійшим за семеро, що в лад, подумавши, відповідають.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
17Ловить той пса за уші, хто, переходячи мимо, вдається в сварку других.
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
18Як той, хто з засїдки мече огонь, стріли й смерть,
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
19Так і чоловік, що зрадливо шкодить ближньому свому, а потім каже: „Я тільки жартував!‟
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
20Як дров не підкладай, огонь потухне хутко: На ухо не шепчи, — втихне ворожнета.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
21Як уголь про жар, а дерево про огонь, так і сварливий про те, щоб роздувати сварку.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
22Слова підшепника — як ласощі, й вони ввіходять в черево глибоко.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
23Що глиняна посудина, обтягнена нечистим сріблом, те саме бутні уста й злобнеє серце.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
24Устами ворог придобряєсь, а в серцї зраду він голубить.
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
25Не вір йому, як він ласкавенько говорить, бо сїм гидот седить у його серцї.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
26Хоч ненависть він тайно ховає, то відкриєсь злоба його серед громади.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
27Хто яму вириє, сам упаде в неї, а хто котить каменя в гору, до того він і вернесь.
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
28Зрадливий язик ненавидить тих, кого він ранить, і лестючі слова погибель готують.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.