Spreuken
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Korean Bible, 1910…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
1미련한 자에게는 영예가 적당하지 아니하니 마치 여름에 눈오는 것과 추수 때에 비오는 것 같으니라
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
2까닭 없는 저주는 참새의 떠도는 것과 제비의 날아가는 것 같이 이르지 아니하느니라
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
3말에게는 채찍이요 나귀에게는 자갈이요 미련한 자의 등에는 막대기니라
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
4미련한 자의 어리석은 것을 따라 대답하지 말라 두렵건대 네가 그와 같을까 하노라
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
5미련한 자의 어리석은 것을 따라 그에게 대답하라 두렵건대 그가 스스로 지혜롭게 여길까 하노라
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
6미련한 자 편에 기별하는 것은 자기의 발을 베어 버림이라 해를 받느니라
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
7저는 자의 다리는 힘 없이 달렸나니 미련한 자의 입의 잠언도 그러하니라
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
8미련한 자에게 영예를 주는 것은 돌을 물매에 매는 것과 같으니라
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
9미련한 자의 입의 잠언은 술 취한 자의 손에 든 가시나무 같으니라
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
10장인이 온갖 것을 만들지라도 미련한 자를 고용하는 것은 지나가는 자를 고용함과 같으니라
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
11개가 그 토한 것을 도로 먹는 것 같이 미련한 자는 그 미련한 것을 거듭 행하느니라
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
12네가 스스로 지혜롭게 여기는 자를 보느냐 그보다 미련한 자에게 오히려 바랄 것이 있느니라
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
13게으른 자는 길에 사자가 있다 거리에 사자가 있다 하느니라
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
14문짝이 돌쩌귀를 따라서 도는 것 같이 게으른 자는 침상에서 구으느니라
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
15게으른 자는 그 손을 그릇에 넣고도 입으로 올리기를 괴로와하느니라
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
16게으른 자는 선히 대답하는 사람 일곱보다 자기를 지혜롭게 여기느니라
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
17길로 지나다가 자기에게 상관없는 다툼을 간섭하는 자는 개 귀를 잡는 자와 같으니라
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
18횃불을 던지며 살을 쏘아서 사람을 죽이는 미친 사람이 있나니
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
19자기 이웃을 속이고 말하기를 내가 희롱하였노라 하는 자도 그러하니라
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
20나무가 다하면 불이 꺼지고 말장이가 없어지면 다툼이 쉬느니라
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
21숯불 위에 숯을 더하는 것과 타는 불에 나무를 더하는 것 같이 다툼을 좋아하는 자는 시비를 일으키느니라
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
22남의 말하기를 좋아하는 자의 말은 별식과 같아서 뱃 속 깊은 데로 내려가느니라
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
23온유한 입술에 악한 마음은 낮은 은을 입힌 토기니라
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
24감정있는 자는 입술로는 꾸미고 속에는 궤휼을 품나니
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
25그 말이 좋을지라도 믿지 말 것은 그 마음에 일곱 가지 가증한 것이 있음이라
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
26궤휼로 그 감정을 감출지라도 그 악이 회중 앞에 드러나리라
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
27함정을 파는 자는 그것에 빠질 것이요 돌을 굴리는 자는 도리어 그것에 치이리라
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
28거짓말하는 자는 자기의 해한 자를 미워하고 아첨하는 입은 패망을 일으키느니라

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.