Spreuken 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1In Jahweh’s hand is het hart van een koning als een beekje; Hij leidt het, waarheen Hij wil.
1В руках у Господа цареве серце; як розтоки води, він їх, куди захоче, справляє.
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst.
2В очах у людини путь її здається шляхом правим, Господь же на вазї всяке серце важить.
3Rechtvaardigheid beoefenen en billijkheid, Is Jahweh meer waard dan offers.
3Як хто чинить правду й правий суд, се подобаєсь Господу більше, нїж жертва.
4Een hooghartige blik, een opgeblazen hart, De aanplant der bozen is zonde
4Дивитись на людей високом згорда оком і серцем надутим — се гріх.
5De plannen van een ijverig mens brengen louter voordeel, Maar wie zich overhaast, krijgt enkel gebrek.
5Гадки трудящого змагають до багацтва, а хто поквапний, терпить недостачу.
6Wie met leugens schatten wil verwerven, Jaagt ijdelheid na en de strikken des doods.
6Надбане добро язиком льживим — се проминаючий подих, се погибельні сїти.
7Bozen worden door hun gewelddaden meegesleept; Want zij weigeren, recht te doen.
7Насильство злюк лихих саме їх погубляє, вони зареклись, не хоронити справедливість.
8Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht.
8Дорога в грішника крива, а хто чистий, того поступки праві.
9Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
9На криші в кутку далеко лучше жити, анїж із жінкою сварливою в сьвітлицї.
10Een slecht karakter haakt naar kwaad; Zelfs zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen.
10Безбожного душа бажає зла; не найде змилування в очах його навіть приятель його.
11Straft ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Leest men een wijze de les, hij leert er nog uit.
11Як карають зрадливого, то й неук зрозумнїє, а як розумного навчають, він приймає науку.
12De Rechtvaardige let op het huis van den boze, En stort de boosdoeners in het verderf.
12Праведний назирає дом безбожного, як безбожні попадають в нещастє.
13Wie zich doof houdt voor de smeekbede van een arme, Zal ook zelf roepen en geen antwoord krijgen.
13Хто чує крик і плач убогого байдужно, той сам кричати ме, й вислуханий не буде.
14Toorn wordt door een stille gift ontwapend, Hevige gramschap door een geschenk in de buidel.
14Гостинець, тайкома даний, гасить гнїв, і дар у пазуху — велику досаду.
15Dat er recht wordt gedaan, is voor den rechtvaardige een vreugde, Voor de boosdoeners een ramp.
15Правий суд — се радість праведному, а страх лиходїєві.
16De mens, die afdwaalt van het pad der wijsheid, Mag in de kring der schimmen uitrusten.
16Чоловік, що зійшов з путя розумного, між мертвими опиниться.
17Wie van feestvieren houdt, vervalt tot gebrek; Wie veel wijn en olie verbruikt, wordt niet rijk.
17Хто любить веселощі, той збіднїє, а хто вино й товщ — тому не збогатїти.
18De boze is een losprijs voor den rechtvaardige, Zondaars komen voor de deugdzamen in de plaats.
18Викупом буває за праведного безбожний, й за правого — лукавий.
19Beter in een woestijn te wonen, Dan bij een snibbige en humeurige vrouw.
19В пустинї одиноко відраднїйще жити, нїж із сварливою жоною й сердитою.
20In de woning van een wijze blijven kostbare schatten, Maar de domoor jaagt ze erdoor.
20В господї мудрого — омаста й достатки, яких забажає, а дурний чоловік все те прогайнує.
21Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien.
21Хто справедливий і милосерний, знайде той життє, правду і повагу.
22De wijze beklimt een stad van helden, En werpt het bolwerk neer, waarop zij vertrouwen.
22Мудрий здобуває місто хоробрих, і валить твердинї, що на них вповали.
23Wie let op zijn mond en zijn tong, Bespaart zich moeilijkheden.
23Хто стереже уста свої й язик свій, той од біди життє охороняє.
24“Spotter” noemt men een overmoedig, vermetel mens, Een die handelt in mateloze trots.
24Надутий лиходїй — безʼумом зовуть його — порпаєсь в попелї гординї.
25Een luiaard komt nog om door zijn ondeugd, Want zijn handen weigeren te werken.
25Жаданнє лїнивого вбє його, бо приложити рук не хоче нї до чого;
26Heel de dag zit de zondaar te hunkeren, Maar de rechtvaardige deelt rijkelijk uit.
26Що дня його кортить їда, а праведний дає, не жалує нїчого.
27Het offer der bozen is iets afschuwelijks; Hoeveel te meer, als hij het brengt voor een wandaad.
27Гидота Господу безбожників жертва, а надто, як її в лукавстві приносять.
28Een leugenachtig getuige gaat te gronde; Iemand die luistert, mag altijd spreken.
28Ложний сьвідок погибне, а чоловік, що говорить те, що знає, буде все говорити правду.
29Wel trekt een boosdoener een brutaal gezicht, Maar een rechtvaardige doorziet zijn gedrag.
29Чоловік безбожний не має стиду в лицї свойму, людина ж праведна путя свого не скривить.
30Er is geen wijsheid, geen beraad, Geen verstand tegenover Jahweh.
30Нема премудростї, нї розуму, нї ради в того, хто противен Господеві.
31Wel worden paarden getuigd voor de dag van de strijd, Maar de zege hangt van Jahweh af.
31Коня готують на день бою, та побіда — від Господа.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.