Spreuken 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een verstandig kind volgt de tucht van zijn vader, Een deugniet is doof voor verwijten.
1Син мудрий слухає батькової науки, а безпутний не слухає докору.
2De goede geniet van de vrucht der gerechtigheid Het verlangen der zondaars gaat uit naar geweld.
2Із плодів уст своїх насичуєсь чоловік добром, душа же проступників — зло.
3Wie op zijn mond let, behoedt zichzelf; Maar wie zijn lippen openspalkt, hèm dreigt gevaar.
3Хто стереже уста, той душу вберігає: хто ж рот свій широко отвирає, тому біда.
4De begeerte van den luiaard blijft onvervuld, Het verlangen der vlijtigen wordt ruimschoots bevredigd.
4Душа в лїнивого жадає, та дармо, а душа трудящих засититься.
5De rechtvaardige heeft een afkeer van leugentaal, Maar de boze smaadt en schimpt.
5Праведний ненавидить ложне слово, а безбожник соромить і безчестить.
6De deugd beschermt hem, die onberispelijk wandelt, De boosheid brengt de zondaars ten val.
6Безвинного в путях пильнує правда, а грішника губить безбожество.
7Er zijn er, die zich rijk houden, maar alles ontberen; Ook, die zich arm voordoen, en kapitalen bezitten.
7Той за багатого себе скрізь виставляє, а справдї він нїчого немає; инший видає себе за бідного, а він пребагатий.
8Met rijkdom kan men zijn leven kopen, Maar de arme kan geen losprijs vinden.
8Багацтвом викуплює чоловік життє своє, а вбогий й грізьби не чує.
9Het licht der rechtvaardigen brandt lustig, De lamp der bozen gaat uit.
9Сьвітло праведних весело горить, у безбожних же сьвічник потухає.
10Overmoed geeft enkel twist, Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
10Між гордими — одні тільки сварки, а хто чинить усе за порадою — у тих мудрість.
11Snel verworven rijkdom slinkt even vlug weg; Alleen wie gestadig verzamelt, wordt rijk.
11Богацтво легко нажите пропадає, хто ж трудом доробляєсь, намножує його.
12Langdurig wachten sloopt het hart, Maar een vervulde wens is een boom des levens.
12Надїя, коли довго тріває, мучить серце, а справджене бажаннє — се дерево жизнї.
13Wie het bevel niet telt, wordt ervoor gestraft; Wie het voorschrift eerbiedigt, wordt beloond.
13Хто словом нехтує, той шкодить собі, а хто боїться заповідї, той має заплату.
14Het onderricht van den wijze is een bron van leven; Men vermijdt er mee de strikken des doods.
14Наука мудрого — се жизняна криниця; вона відвертає від сїтей смертї.
15Gezond verstand maakt bemind, Het gedrag der veinzaards leidt tot hun eigen verderf.
15Добрий розум приносить приємність, дорога ж беззаконних пагубна.
16Een wijze doet alles met beleid, Maar een zot kraamt zijn dwaasheid uit.
16Розумний з розглядом дїло робить, а дурний виносить на показ дурноту.
17Een onbekwaam boodschapper brengt ongeluk aan, Een betrouwbaar gezant wendt het af.
17Безбожний посланець у біду попадає, а вірний посланець — ратунок.
18Armoe en schande voor wie de berisping niet telt; Maar wie een vermaning ter harte neemt, wordt geëerd.
18Злиднї й стид тому, хто нехтує науку, хто ж підклоняється під докір, той буде в шанобі.
19Een vervulde wens is zoet voor de ziel, Het kwaad te mijden is voor de bozen een gruwel.
19Як спевниться бажаннє, то любо се душі; та дурним не любо відхилятись від злого.
20Wie met wijzen omgaat wordt wijs; Wie het met dwazen houdt, vergaat het slecht.
20Хто братаєсь із мудрими, буде й сам мудрий, хто ж заходить у дружбу з дурними, — зледачіє.
21De zondaars zit het ongeluk op de hielen, Welvaart is het deel der rechtvaardigen.
21За грішниками гонить нещастє, а праведним добро в нагороду.
22De deugdzame laat zijn kleinkinderen een erfenis na, Wat een zondaar bezit, is voor den rechtvaardige bestemd.
22Добрий і внукам зоставляє достатки, а багацтва грішника передержуються для праведного.
23Veel voedsel geeft het braakland der armen, Maar door onrecht gaat het meeste verloren.
23Много хлїба родиться й на загонах убогих, та з них не один погибає через непорядок.
24Wie de roede spaart, houdt niet van zijn kind; Want wie het liefheeft, kastijdt het.
24Хто жалує лозинки, ненавидить він сина, а хто любить сина, той з малку наказує його.
25De rechtvaardige kan eten tot verzadigens toe, De maag der bozen komt te kort.
25Праведний їсть до схочу, а черево безбожних терпить недостачу.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.