Spreuken
Chapter 13
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Een verstandig kind volgt de tucht van zijn vader, Een deugniet is doof voor verwijten.
1Ein weiser Sohn läßt sich vom Vater züchtigen; aber ein Spötter gehorcht der Strafe nicht.
2De goede geniet van de vrucht der gerechtigheid Het verlangen der zondaars gaat uit naar geweld.
2Die Frucht des Mundes genießt man; aber die Verächter denken nur zu freveln.
3Wie op zijn mond let, behoedt zichzelf; Maar wie zijn lippen openspalkt, hèm dreigt gevaar.
3Wer seinen Mund bewahrt, der bewahrt sein Leben; wer aber mit seinem Maul herausfährt, der kommt in Schrecken.
4De begeerte van den luiaard blijft onvervuld, Het verlangen der vlijtigen wordt ruimschoots bevredigd.
4Der Faule begehrt und kriegt's doch nicht; aber die Fleißigen kriegen genug.
5De rechtvaardige heeft een afkeer van leugentaal, Maar de boze smaadt en schimpt.
5Der Gerechte ist der Lüge feind; aber der Gottlose schändet und schmäht sich selbst.
6De deugd beschermt hem, die onberispelijk wandelt, De boosheid brengt de zondaars ten val.
6Die Gerechtigkeit behütet den Unschuldigen; aber das gottlose Wesen bringt zu Fall den Sünder.
7Er zijn er, die zich rijk houden, maar alles ontberen; Ook, die zich arm voordoen, en kapitalen bezitten.
7Mancher ist arm bei großem Gut, und mancher ist reich bei seiner Armut.
8Met rijkdom kan men zijn leven kopen, Maar de arme kan geen losprijs vinden.
8Mit Reichtum kann einer sein Leben erretten; aber ein Armer hört kein Schelten.
9Het licht der rechtvaardigen brandt lustig, De lamp der bozen gaat uit.
9Das Licht der Gerechten brennt fröhlich; aber die Leuchte der Gottlosen wird auslöschen.
10Overmoed geeft enkel twist, Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
10Unter den Stolzen ist immer Hader; aber Weisheit ist bei denen, die sich raten lassen.
11Snel verworven rijkdom slinkt even vlug weg; Alleen wie gestadig verzamelt, wordt rijk.
11Reichtum wird wenig, wo man's vergeudet; was man aber zusammenhält, das wird groß.
12Langdurig wachten sloopt het hart, Maar een vervulde wens is een boom des levens.
12Die Hoffnung, die sich verzieht, ängstet das Herz; wenn's aber kommt, was man begehrt, das ist wie ein Baum des Lebens.
13Wie het bevel niet telt, wordt ervoor gestraft; Wie het voorschrift eerbiedigt, wordt beloond.
13Wer das Wort verachtet, der verderbt sich selbst; wer aber das Gebot fürchtet, dem wird's vergolten.
14Het onderricht van den wijze is een bron van leven; Men vermijdt er mee de strikken des doods.
14Die Lehre des Weisen ist eine Quelle des Lebens, zu meiden die Stricke des Todes.
15Gezond verstand maakt bemind, Het gedrag der veinzaards leidt tot hun eigen verderf.
15Feine Klugheit schafft Gunst; aber der Verächter Weg bringt Wehe.
16Een wijze doet alles met beleid, Maar een zot kraamt zijn dwaasheid uit.
16Ein Kluger tut alles mit Vernunft; ein Narr aber breitet Narrheit aus.
17Een onbekwaam boodschapper brengt ongeluk aan, Een betrouwbaar gezant wendt het af.
17Ein gottloser Bote bringt Unglück; aber ein treuer Bote ist heilsam.
18Armoe en schande voor wie de berisping niet telt; Maar wie een vermaning ter harte neemt, wordt geëerd.
18Wer Zucht läßt fahren, der hat Armut und Schande; wer sich gerne strafen läßt, wird zu ehren kommen.
19Een vervulde wens is zoet voor de ziel, Het kwaad te mijden is voor de bozen een gruwel.
19Wenn's kommt, was man begehrt, das tut dem Herzen wohl; aber das Böse meiden ist den Toren ein Greuel.
20Wie met wijzen omgaat wordt wijs; Wie het met dwazen houdt, vergaat het slecht.
20Wer mit den Weisen umgeht, der wird weise; wer aber der Narren Geselle ist, der wird Unglück haben.
21De zondaars zit het ongeluk op de hielen, Welvaart is het deel der rechtvaardigen.
21Unglück verfolgt die Sünder; aber den Gerechten wird Gutes vergolten.
22De deugdzame laat zijn kleinkinderen een erfenis na, Wat een zondaar bezit, is voor den rechtvaardige bestemd.
22Der Gute wird vererben auf Kindeskind; aber des Sünders Gut wird für den Gerechten gespart.
23Veel voedsel geeft het braakland der armen, Maar door onrecht gaat het meeste verloren.
23Es ist viel Speise in den Furchen der Armen; aber die Unrecht tun, verderben.
24Wie de roede spaart, houdt niet van zijn kind; Want wie het liefheeft, kastijdt het.
24Wer seine Rute schont, der haßt seinen Sohn; wer ihn aber liebhat, der züchtigt ihn bald.
25De rechtvaardige kan eten tot verzadigens toe, De maag der bozen komt te kort.
25Der Gerechte ißt, daß sein Seele satt wird; der Gottlosen Bauch aber hat nimmer genug.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.