Spreuken 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Wees niet afgunstig op booswichten, Verlang niet naar hun gezelschap;
1Нехай тебе до злих людей не пориває, анї бажай товаришувати з ними,
2Want wat zij willen is geweld, Wat zij bespreken, is onheil.
2Бо в серцї в них насильство, а уста їх говорять лихе.
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, Door inzicht houdt het stand;
3Мудрістю уладжуєсь дім, і розумом скріпляєсь,
4Door kunde worden de kamers vol Van allerlei kostbaar en prettig bezit.
4Знаннє же сповняє внутро його всяким дорогим і прекрасним майном.
5Een wijze is meer waard dan een sterke, Een man van ervaring meer dan een krachtmens;
5Мудрий чоловік потужен, і розум піддержує силу в чоловіка.
6Want alleen met overleg wordt een oorlog gevoerd, De zege bevochten door rijp beraad.
6Тим то й війну веди з розвагою, а добрий конець буде, як буде доволї нарад.
7Voor een dwaas is de wijsheid te hoog; Daarom doet hij in de poort zijn mond niet open.
7Про дурного мудрість — річ надто висока, й в брамі нї пари він із уст не пустить.
8Wie op kwaad zint, Wordt een gluiperd genoemd.
8Хто задумає заподїяти лихо, того й лиходїєм називають.
9De gedachten van een dwaas zijn zondig, Een spotter is voor de mensen een gruwel.
9Помисл дурноти — гріх; зрадник — людям гидота.
10Gedraagt ge u slap, als het u goed gaat, Dan schieten in moeilijke tijden uw krachten te kort.
10Коли ти в бідї показавсь безсилком, то бідна сила в тебе.
11Red hen, die ter dood worden gebracht; Bevrijd hen, die naar de plaats van terechtstelling wankelen.
11Рятуй тих, що їх на смерть ведуть, а тих, що їх засуджено на страченнє — чи ж покинеш їх?
12Al zegt ge: “Och, we wisten het niet,” Zou Hij, die de harten peilt, het niet merken, Hij, die uw leven beschermt, het niet weten, En den mens niet naar zijn werken vergelden?
12Скажеш може: Ми про се не знали! Та, може, й той не знає, що вивідує серця? Той, що дивиться тобі в душу, той се знає, й відплатить чоловікові по вчинках його.
13Mijn zoon, eet honing, want die smaakt goed; Honingzeem is zoet voor het gehemelte:
13Їж, сину мій, мед, бо він смачний, й крижку, бо солодка вона піднебенню:
14Zo is ook de kennis goed voor uw hart, En de wijsheid voor uw ziel. Vindt ge haar, dan is er toekomst, En wordt uw verwachting niet beschaamd.
14Оттаке й спізнаннє мудростї для душі твоєї. Як ти вже знайшов її, то й придбав будущину ти, й надїя твоя не даремна.
15Booswicht, loer niet op de woning van den rechtvaardige, Beproef niet, zijn verblijf te vernielen;
15Безбожний! не задумуй лиха на домівку праведного, й не пустош місця спокою його,
16Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, Maar de bozen blijven liggen in het kwaad.
16Бо праведний впаде сїм раз — і встане, безбожні же впадуть у погибель.
17Als uw vijand valt, moet ge u niet verheugen, Als hij struikelt, u niet verblijden;
17Як ворог твій впаде, не радуйсь, і не веселись у серцї, як він спотикнеться;
18Want als Jahweh het ziet, mishaagt het Hem, En wendt Hij zijn gramschap van hem op u af.
18А то побачить Господь і невгодно буде воно йому, й одверне гнїв свій від його.
19Erger u niet over hen, die kwaad doen, Wees niet jaloers op booswichten;
19Не сердься на лиходїїв, і не завидуй безбожним,
20Want voor den booswicht is er geen toekomst, De lamp der bozen gaat uit.
20Бо лихого будущина пропаща, а сьвітильник безбожних загасне.
21Mijn zoon, vrees Jahweh en den koning, Houd u niet met nieuwlichters op;
21Мій сину! Господа й царя твого страхайся; з ворохобниками не товаришуй,
22Want plotseling daagt hun ongeluk, Wie weet, wat hun einde zal zijn?
22Бо нагло прийде погибель від них, — і біду від обох — хто її наперед узнає?
23Ook de volgende spreuken zijn van wijzen. Partijdigheid in een rechtszaak is nooit goed
23Сказано ще й се мудрими: Вважати в судї на особу — се погано.
24Wie tot een schuldige zegt: ge hebt gelijk, De volkeren zullen hem verwensen, De naties hem vloeken.
24Хто винуватому скаже: „Ти невинен‟, того клясти ме люд, того зненавидить народ;
25Maar die hem bestraffen, gaat het goed, Op hen rust zegen en voorspoed;
25Хто ж викаже його вину, тих будуть любити й благословити.
26Een kus op de lippen krijgt hij, Die een rechtvaardige uitspraak doet.
26Хто відказує по правдї, наче в уста цїлує.
27Stel orde op uw werk buitenshuis, Maak, dat het klaar is op uw akker; Neem dan eerst een vrouw En bouw u een huis.
27Упорай перш твої поза домом справи, упорай перш усе на твойму полі, а тодї вже й в твоїй домівцї розпоряджуй.
28Leg geen valse getuigenis af tegen uw naaste, Waarom zouden uw lippen bedriegen?
28Не будь льживим на ближнього твого сьвідком; чого ж бо тобі оманювати устами твоїми?
29Zeg niet: “Zoals hij mij heeft gedaan, zal ik hem doen; Ik zet den man zijn daden betaald.”
29Не говори: Як він менї вчинив, так само й я йому вчиню: відплачу чоловікови по вчинкам його.
30Ik kwam eens langs de akker van een luiaard, Langs de wijngaard van een dwaas;
30Йшов я раз попри поле чоловіка лїнивого, й уз виноградний сад чоловіка скупоумного:
31En zie: hij was geheel met onkruid begroeid, De grond met distels bedekt, En de stenen muur lag in puin.
31Дивлюсь — терниною все позаростало, земля кругом кропивою окрилась, а камінна огорожя розвалилась.
32Toen ik dat zag, nam ik het ter harte; Toen ik dat merkte, heb ik er deze les uit getrokken:
32Споглянув я й взяв се до серця, споглянув та й навчивсь такій пересторозї:
33Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar;
33Не довго будеш спати, не довго дрімати; не довго — згорнувши руки, полежиш, —
34Dan overvalt u de armoe als een zwerver, Het gebrek als een rover.
34Аж ось прийде, мов прихожий, вбожество твоє, й нужда твоя — мов чоловік оружний.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.