Spreuken 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1De wijn is een spotter, de drank luidruchtig; Onwijs is hij, die zich eraan te buiten gaat.
1Вино — зрадник; напитки — буйність; хто на них надиться — безумний.
2Een toornig koning brult als een leeuw; Wie hem prikkelt, vergrijpt zich aan zichzelf.
2Царська грізьба — як би рик левин; хто його до гнїву будить, шкодить собі самому.
3Het is een eer voor den mens, buiten twisten te blijven; Alleen dwazen zoeken ruzie.
3Хто сварку залишує, той честь здобуває; кожен дурень до сварки горячиться.
4Als een luiaard in de herfst niet wil ploegen, Zoekt hij in de oogsttijd tevergeefs.
4Лїнивий в осени не оре й не скородить; розглядаєсь лїтом — аж нема нїчого.
5Diep water is het, wat iemand bij zichzelf overlegt; Maar een verstandig mens weet het te putten.
5В серцї людськім задуми — мов вода глибока, та чоловік розумний вичерпає її.
6Velen worden vriendelijke mensen genoemd; Waar vindt men echter iemand, die betrouwbaar is?
6Многих людей величають милосерними, та правдивого чоловіка хто находить?
7Een deugdzaam mens, die onberispelijk wandelt: Ook na zijn dood gaat het zijn kinderen goed.
7Праведник ходить в своїй невинностї: щасливі й дїти його послї його.
8De koning, die op zijn rechterstoel zit, Zift met zijn ogen al wat slecht is.
8Коли царь самий на судейському престолї засїдає, то й все ледаче очима своїми розганяє.
9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart rein gehouden, Ik ben vrij van zonde?
9Хто може сказати: Серце я очистив, — я чистий від гріха мого?
10Tweeërlei gewicht en tweeërlei maat: Jahweh heeft van beide een afschuw.
10Не однакова вага, не однака міра, одно і друге — гидота Господеві.
11Zelfs uit het gedrag van een kind kan men opmaken, Of zijn daden zuiver zijn en oprecht.
11Можна вже хлопя пізнати з того, чим занимається, чи праві і чисті будуть учинки його.
12Een oor dat hoort, en een oog dat ziet: Jahweh heeft ze beide gemaakt.
12Ухо, що чує, й око, що бачить — одно й друге сотворив Господь.
13Wees niet verzot op slapen, anders wordt ge arm; Houd uw ogen open, en ge krijgt eten genoeg.
13Не люби спати, щоб не дознав злиднїв; май отворені очі, й будеш наїден хлїбом.
14Slecht! Slecht! klaagt de koper; Maar als hij is weggegaan, gaat hij er groot op
14Не добре! пусте! гудить, хто купує, а як одійде, — хвалиться.
15Er is goud, er zijn veel juwelen, Maar het kostbaarst bezit zijn verstandige lippen.
15Буває много золота й перел, та найдорожша знадоба — уста розумні.
16Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis een pand van hem, terwille van vreemden.
16Бери одежину його, бо він ручавсь за чужого; за приблуду бери від його заліг!
17Gestolen brood smaakt iemand wel goed, Maar achteraf heeft hij een mond vol zand.
17Солодкий зразу чоловікові хлїб, неправдою нажитий, та й на впослї в його ротї піску повно буде,
18Alleen door beraad komen plannen ten uitvoer; Voer dus de strijd met beleid.
18Задуми вдаються аж по добрій радї, а по радї ще далї воюйся.
19Wie altijd maar babbelt, verraadt licht een geheim; Bemoei u dus niet met een praatvaar.
19Хто переносить і відкриває тайни, та рот широко отвирає, з тим не братайся.
20Als iemand zijn vader en moeder vervloekt, Gaat zijn lamp uit, wanneer de duisternis intreedt.
20Хто лихословить отцеві й матері своїй, того сьвічник погасне в глухій темряві.
21Een bezit, te spoedig verkregen, Brengt tenslotte geen zegen.
21Майно, зразу скоро набуте, не буде опісля благословенне.
22Zeg niet: Ik zal u het kwaad vergelden! Vertrouw op Jahweh; Hij zal u helpen.
22Не говори: „За зло я самий віддам‟; полиши се Господеві, — він охоронить тебе.
23Tweeërlei gewicht is een gruwel voor Jahweh, Een valse weegschaal is kwaad.
23Гидота Господу вага лукава, та й невірна міра — йому противна.
24Door Jahweh zijn de schreden der mensen bepaald; Hoe zou ook de mens zijn weg kunnen zien?
24Всї ступнї людські Господь справляє; чоловікові ж — як узнати дорогу свою?
25In de val loopt hij, die ijlings “Heilig” roept En eerst ná zijn geloften overlegt.
25Се сїть людинї — сквапно обіт складати, а послї обіту — роздумовати.
26Een wijs koning zift de bozen uit, En laat het rad over hen heengaan.
26Мудрий царь вивіє безбожних, а потім колесом своїм по них покотить.
27Jahweh slaat de geest der mensen gade En doorzoekt alle schuilhoeken der ziel.
27Господень сьвічник — се дух чоловічий, що вивідує всї глибини серця.
28Liefde en trouw beschermen den koning, Op rechtvaardigheid stut hij zijn troon.
28Любов і правда царя оберегають, престола він свого любовю підпирає.
29Het sieraad der jongemannen is hun kracht, Grijze haren zijn de pronk van de ouderdom.
29Слова молодих — їх сила, а окраса старих — їх сивий волос.
30Bloedige striemen polijsten het hart, Slagen de schuilhoeken der ziel.
30Рани від побоїв — се лїк проти зла, та й удари, що доходять аж до самої утроби.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.