Spreuken 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Wie op tucht gesteld is, is op kennis gesteld; Wie geen vermaning kan velen, is als redeloos vee.
1Хто любить науку, той любить знаннє, хто ж гнївен за докір, той безрозумен.
2De deugdzame geniet het welbehagen van Jahweh, Doortrapte mensen veroordeelt Hij.
2Добрящий знайде в Господа ласку, а чоловіка підступного він осудить.
3Door misdaad houdt de mens geen stand, Maar de wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar.
3Не скріпить себе чоловік безбожеством, а корінь праведних не схитнеться.
4Een flinke vrouw is de kroon van haar man; Een die zich misdraagt, een kanker in zijn gebeente.
4Жена честивая — вінець чоловікові, ледача ж — мов та гниль у костях його.
5Wat rechtvaardigen overleggen is recht, Wat bozen uitdenken bedrog.
5Думки у праведних — про те, що правда, а задуми безбожних — зрада.
6In de woorden der bozen loert levensgevaar, Maar de mond der vromen brengt redding.
6Безбожних слова — укладаннє засїдок, щоб кров пролити, уста ж праведних — щоб рятувати їх.
7De bozen worden omvergeworpen, en ze zijn er niet meer; Het huis der rechtvaardigen houdt stand.
7Доторкнись, нещастє безбожних — а вже й нема їх, а дім праведних стоїть.
8Naar de mate van zijn doorzicht wordt men geprezen, Maar een nar is niet in tel.
8О скілько розумний чоловік, хвалять його, а переворотний серцем буде в погордї.
9Beter onderschat te worden en over een knecht beschikken, Dan voornaam te doen en broodgebrek hebben.
9Лучше бути собі простим і заробляти на себе, нїж величати себе знатним, а не мати хлїба.
10De rechtvaardige kent de noden zelfs van zijn vee, Maar het hart der bozen is zonder erbarmen.
10Праведний журиться й про життє скотини своєї, серце ж безбожних жорстоке.
11Wie zijn akker bebouwt, heeft eten genoeg; Maar wie zijn tijd verbeuzelt, lijdt gebrek.
11Хто поле своє порає, той має достаток хлїба, хто ж гає марно час, той розуму не має.
12De burcht der bozen stort in puin, De wortel der rechtvaardigen is onwrikbaar.
12Безбожний надиться на зло, немов полює, та корінь праведних держиться твердо.
13Door zijn tong te misbruiken loopt de boze in de val, Maar de rechtvaardige ontkomt uit de benauwdheid.
13Безбожний замотується в слова уст своїх; та праведник вийде з біди.
14Wat van iemands lippen komt, wordt hem rijkelijk vergolden; En wat iemands handen doen, valt terug op hemzelf.
14Із плодів уст своїх насичуєсь чоловік добром, і по вчинках рук його — нагорода йому.
15De dwaze houdt zijn weg voor recht; Alleen wie naar raad luistert, is wijs.
15Дурному шлях його здається простим, розумен же той, хто слухає поради.
16Een dwaas laat ogenblikkelijk zijn woede blijken, Wijs is hij, die een belediging doodzwijgt.
16Дурний досадує й зараз признається, розумний же мовчки скриває зневагу.
17Wie waarheid spreekt, verbreidt recht; Maar een valse getuige pleegt bedrog.
17Хто говорить (на судї) те, що, знає, той говорить правду, у сьвідка же льживого — омана.
18Sommigen laten zich woorden ontvallen als dolkstoten, Maar de tong der wijzen verzacht.
18Инший пустослов ранить язиком, мов мечем, язик же мудрий — загоює.
19Het woord der waarheid houdt eeuwig stand, Een leugentong slechts een ogenblik.
19Уста правдомовні во віки пробувають, а язик ложний — на хвилину.
20Ontgoocheling is het lot van wie kwaad beramen; Maar bij hen, die heilzame raad geven, heerst vreugde.
20Омана — в серцї в тих, що лихо замишляють; а радость у тих, хто мир совітує.
21Geen kwaad zal den rechtvaardige treffen, Maar de bozen worden door het ongeluk achtervolgd.
21Праведному біди нїякої не буде, а в беззаконників нещастя буде повно.
22Jahweh heeft een afschuw van leugentaal, Maar welbehagen in hen, die de waarheid betrachten.
22Гидота в Господа уста, що лож сплїтають, хто ж правду говорить, йому благоугоден.
23Een wijze houdt zijn wetenschap voor zich, Een dwaas loopt met zijn domheid te koop.
23Розсудливий чоловік ховає мовчки знаннє, дурного ж серце виголошує дурноту.
24De hand der vlijtigen zal regeren, Vadsigheid leidt tot slavernij.
24Трудящого рука доробиться пановання, а лїнива буде підданою.
25Kommer in het hart maakt een mens neerslachtig, Een goed woord fleurt hem weer op.
25Туга в серцї придавлює людину, та слово приязне її розвеселяє.
26Een rechtvaardige vindt zijn weide wel, Maar de weg der bozen voert hen op een dwaalspoor.
26Праведний показує ближньому свойму дорогу, а дорога безбожних веде його на манівцї.
27Een vadsig mens zal geen wild verschalken, Een ijverig mens verwerft een kostbaar bezit.
27Лїнивому свого влову не жарити, а добро людини роботящої має велику цїну.
28Op de weg der deugd is leven, Het pad der boosheid leidt naar de dood.
28На дорозї правди — життє, й нема на її стежцї смертї.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.