Spreuken
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Luistert kinderen, naar wat vader leert; Let op, om inzicht te krijgen.
1Écoutez, mes fils, l’instruction d’un père, Et soyez attentifs, pour connaître la sagesse;
2Ik prent u een gezonde leer in; Sla dus mijn lessen niet in de wind.
2Car je vous donne de bons conseils: Ne rejetez pas mon enseignement.
3Toen ik voor mijn vader nog een kind was, Een teer en enig kind onder het oog van mijn moeder,
3J’étais un fils pour mon père, Un fils tendre et unique auprès de ma mère.
4Gaf hij mij onderricht en zeide tot mij: Neem mijn woorden ter harte, Neem mijn wenken in acht, en leef;
4Il m’instruisait alors, et il me disait: Que ton cœur retienne mes paroles; Observe mes préceptes, et tu vivras.
5Doe wijsheid, en doe inzicht op, Vergeet mijn woorden niet, En wijk er nimmer van af!
5Acquiers la sagesse, acquiers l’intelligence; N’oublie pas les paroles de ma bouche, et ne t’en détourne pas.
6Verwaarloos haar niet, zij zal u behoeden, Als ge haar liefhebt, u beschermen.
6Ne l’abandonne pas, et elle te gardera; Aime-la, et elle te protégera.
7Aanvang der wijsheid is: doe wijsheid op, Doe inzicht op, zoveel ge kunt;
7Voici le commencement de la sagesse: Acquiers la sagesse, Et avec tout ce que tu possèdes acquiers l’intelligence.
8Zij zal u verheffen, als ge haar hooghoudt, U aanzien verlenen, als ge haar omhelst;
8Exalte-la, et elle t’élèvera; Elle fera ta gloire, si tu l’embrasses;
9Zij vlecht om uw hoofd een sierlijke krans, En verrijkt u met een prachtige kroon!
9Elle mettra sur ta tête une couronne de grâce, Elle t’ornera d’un magnifique diadème.
10Luister mijn zoon, neem mijn woorden aan, Opdat ge lange jaren moogt leven.
10Écoute, mon fils, et reçois mes paroles; Et les années de ta vie se multiplieront.
11Ik wijs u de weg van de wijsheid, Doe u de paden van het recht betreden.
11Je te montre la voie de la sagesse, Je te conduis dans les sentiers de la droiture.
12Gaat ge daarop, dan zal men uw tred niet belemmeren, Snelt ge daar voort, dan struikelt ge niet.
12Si tu marches, ton pas ne sera point gêné; Et si tu cours, tu ne chancelleras point.
13Houd onverzwakt vast aan de tucht, Neem haar in acht, want zij is uw leven.
13Retiens l’instruction, ne t’en dessaisis pas; Garde-la, car elle est ta vie.
14Begeef u niet op de weg der bozen, Ga niet voort op het pad der zondaars;
14N’entre pas dans le sentier des méchants, Et ne marche pas dans la voie des hommes mauvais.
15Laat ze liggen, ga er niet overheen, Mijd ze, ga ze voorbij!
15Évite-la, n’y passe point; Détourne-t’en, et passe outre.
16Want ze rusten niet, of ze moeten kwaad kunnen doen, Ze gaan niet slapen, eer ze iemand hebben doen struikelen;
16Car ils ne dormiraient pas s’ils n’avaient fait le mal, Le sommeil leur serait ravi s’ils n’avaient fait tomber personne;
17Ze eten het brood der boosheid, En drinken de wijn der geweldenarij.
17Car c’est le pain de la méchanceté qu’ils mangent, C’est le vin de la violence qu’ils boivent.
18Maar de weg der deugdzamen is als het morgenlicht, Dat gaandeweg opklaart, tot het dag is geworden.
18Le sentier des justes est comme la lumière resplendissante, Dont l’éclat va croissant jusqu’au milieu du jour.
19De weg der bozen gelijkt op een donkere nacht, Ze weten niet, waarover ze struikelen;
19La voie des méchants est comme les ténèbres; Ils n’aperçoivent pas ce qui les fera tomber.
20Mijn zoon, schenk uw aandacht aan wat ik ga zeggen, Leg uw oor te luisteren naar mijn woorden;
20Mon fils, sois attentif à mes paroles, Prête l’oreille à mes discours.
21Laat ze niet wijken uit uw ogen, Bewaar ze diep in uw hart;
21Qu’ils ne s’éloignent pas de tes yeux; Garde-les dans le fond de ton cœur;
22Want ze zijn het leven voor hem, die ze vindt, Voor heel zijn lichaam genezing.
22Car c’est la vie pour ceux qui les trouvent, C’est la santé pour tout leur corps.
23Bewaak dus uw hart met de uiterste zorg, Want daar ligt de oorsprong des levens.
23Garde ton cœur plus que toute autre chose, Car de lui viennent les sources de la vie.
24Verwijder van u een onbetrouwbare mond, Houd verre van u venijnige lippen;
24Écarte de ta bouche la fausseté, Éloigne de tes lèvres les détours.
25Laat uw ogen vrij voor zich uitzien, Uw wimpers zich richten recht voor u uit.
25Que tes yeux regardent en face, Et que tes paupières se dirigent devant toi.
26Effen de weg voor uw voet, Geef richting aan uw wegen;
26Considère le chemin par où tu passes, Et que toutes tes voies soient bien réglées;
27Wijk niet af naar rechts of naar links, Houd uw voet verre van het kwaad.
27N’incline ni à droite ni à gauche, Et détourne ton pied du mal.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.