Spreuken 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf.
1Paroles du roi Lemuel. Sentences par lesquelles sa mère l’instruisit.
2Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften!
2Que te dirai-je, mon fils? Que te dirai-je, fils de mes entrailles? Que te dirai-je, mon fils, objet de mes vœux?
3Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven;
3Ne livre pas ta vigueur aux femmes, Et tes voies à celles qui perdent les rois.
4Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank.
4Ce n’est point aux rois, Lemuel, Ce n’est point aux rois de boire du vin, Ni aux princes de rechercher des liqueurs fortes,
5Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten.
5De peur qu’en buvant ils n’oublient la loi, Et ne méconnaissent les droits de tous les malheureux.
6Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden:
6Donnez des liqueurs fortes à celui qui périt, Et du vin à celui qui a l’amertume dans l’âme;
7Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen.
7Qu’il boive et oublie sa pauvreté, Et qu’il ne se souvienne plus de ses peines.
8Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen;
8Ouvre ta bouche pour le muet, Pour la cause de tous les délaissés.
9Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers.
9Ouvre ta bouche, juge avec justice, Et défends le malheureux et l’indigent.
10Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen!
10Qui peut trouver une femme vertueuse? Elle a bien plus de valeur que les perles.
11Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst.
11Le cœur de son mari a confiance en elle, Et les produits ne lui feront pas défaut.
12Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden;
12Elle lui fait du bien, et non du mal, Tous les jours de sa vie.
13Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen.
13Elle se procure de la laine et du lin, Et travaille d’une main joyeuse.
14Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs,
14Elle est comme un navire marchand, Elle amène son pain de loin.
15En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan.
15Elle se lève lorsqu’il est encore nuit, Et elle donne la nourriture à sa maison Et la tâche à ses servantes.
16Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard;
16Elle pense à un champ, et elle l’acquiert; Du fruit de son travail elle plante une vigne.
17Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen.
17Elle ceint de force ses reins, Et elle affermit ses bras.
18Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit;
18Elle sent que ce qu’elle gagne est bon; Sa lampe ne s’éteint point pendant la nuit.
19Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos.
19Elle met la main à la quenouille, Et ses doigts tiennent le fuseau.
20Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe;
20Elle tend la main au malheureux, Elle tend la main à l’indigent.
21Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren.
21Elle ne craint pas la neige pour sa maison, Car toute sa maison est vêtue de cramoisi.
22Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed;
22Elle se fait des couvertures, Elle a des vêtements de fin lin et de pourpre.
23Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land.
23Son mari est considéré aux portes, Lorsqu’il siège avec les anciens du pays.
24Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels;
24Elle fait des chemises, et les vend, Et elle livre des ceintures au marchand.
25Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag.
25Elle est revêtue de force et de gloire, Et elle se rit de l’avenir.
26Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong:
26Elle ouvre la bouche avec sagesse, Et des instructions aimables sont sur sa langue.
27Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood!
27Elle veille sur ce qui se passe dans sa maison, Et elle ne mange pas le pain de paresse.
28Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof:
28Ses fils se lèvent, et la disent heureuse; Son mari se lève, et lui donne des louanges:
29“Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!”
29Plusieurs filles ont une conduite vertueuse; Mais toi, tu les surpasses toutes.
30Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd.
30La grâce est trompeuse, et la beauté est vaine; La femme qui craint l’Éternel est celle qui sera louée.
31Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!
31Récompensez-la du fruit de son travail, Et qu’aux portes ses œuvres la louent.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.