Spreuken 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf.
1The words of king Lemuel; the burden wherewith his mother corrected him.
2Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften!
2What, my son? and what, O son of my womb? and what, O son of my vows?
3Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven;
3Give not thy strength unto women, nor thy ways to that which destroyeth kings.
4Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank.
4It is not for kings, O Lemuel, it is not for kings to drink wine: nor for princes to say: 'Where is strong drink?'
5Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten.
5Lest they drink, and forget that which is decreed, and pervert the justice due to any that is afflicted.
6Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden:
6Give strong drink unto him that is ready to perish, and wine unto the bitter in soul;
7Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen.
7Let him drink, and forget his poverty, and remember his misery no more.
8Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen;
8Open thy mouth for the dumb, in the cause of all such as are appointed to destruction.
9Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers.
9Open thy mouth, judge righteously, and plead the cause of the poor and needy.
10Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen!
10A woman of valour who can find? for her price is far above rubies.
11Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst.
11The heart of her husband doth safely trust in her, and he hath no lack of gain.
12Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden;
12She doeth him good and not evil all the days of her life.
13Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen.
13She seeketh wool and flax, and worketh willingly with her hands.
14Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs,
14She is like the merchant-ships; she bringeth her food from afar.
15En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan.
15She riseth also while it is yet night, and giveth food to her household, and a portion to her maidens.
16Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard;
16She considereth a field, and buyeth it; with the fruit of her hands she planteth a vineyard.
17Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen.
17She girdeth her loins with strength, and maketh strong her arms.
18Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit;
18She perceiveth that her merchandise is good; her lamp goeth not out by night.
19Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos.
19She layeth her hands to the distaff, and her hands hold the spindle.
20Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe;
20She stretcheth out her hand to the poor; yea, she reacheth forth her hands to the needy.
21Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren.
21She is not afraid of the snow for her household; for all her household are clothed with scarlet.
22Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed;
22She maketh for herself coverlets; her clothing is fine linen and purple.
23Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land.
23Her husband is known in the gates, when he sitteth among the elders of the land.
24Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels;
24She maketh linen garments and selleth them; and delivereth girdles unto the merchant.
25Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag.
25Strength and dignity are her clothing; and she laugheth at the time to come.
26Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong:
26She openeth her mouth with wisdom; and the law of kindness is on her tongue.
27Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood!
27She looketh well to the ways of her household, and eateth not the bread of idleness.
28Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof:
28Her children rise up, and call her blessed; her husband also, and he praiseth her:
29“Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!”
29'Many daughters have done valiantly, but thou excellest them all.'
30Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd.
30Grace is deceitful, and beauty is vain; but a woman that feareth the LORD, she shall be praised.
31Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!
31Give her of the fruit of her hands; and let her works praise her in the gates.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.