Spreuken 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid, Neig uw oor tot mijn inzicht;
1My son, attend unto my wisdom; incline thine ear to my understanding;
2Dat overleg en ervaring u mogen behoeden, En u bewaren voor de lippen van een vreemde vrouw.
2That thou mayest preserve discretion, and that thy lips may keep knowledge.
3Want al druipen de lippen der vreemde van honing, En is haar gehemelte gladder dan olie,
3For the lips of a strange woman drop honey, and her mouth is smoother than oil;
4Ten slotte is zij bitter als alsem, En scherp als een tweesnijdend zwaard.
4But her end is bitter as wormwood, sharp as a two-edged sword.
5Haar voeten dalen af naar de dood, Tot de onderwereld leiden haar schreden;
5Her feet go down to death; her steps take hold on the nether-world;
6Ze bakent de weg des levens niet af, Maar haar paden kronkelen ongemerkt!
6Lest she should walk the even path of life, her ways wander, but she knoweth it not.
7Welnu dan kinderen, luistert naar mij, Keert u niet af van mijn woorden.
7Now therefore, O ye children, hearken unto me, and depart not from the words of my mouth.
8Houd uw weg verre van haar, Nader niet tot de deur van haar huis:
8Remove thy way far from her, and come not nigh the door of her house;
9Anders moet ge aan anderen uw frisheid afstaan, Uw jaren offeren aan een ongenadig mens
9Lest thou give thy vigour unto others, and thy years unto the cruel;
10Verrijken zich vreemden met uw vermogen, En komt uw zuurverdiend loon in het huis van een ander.
10Lest strangers be filled with thy strength, and thy labours be in the house of an alien;
11Dan slaat ge ten slotte aan ‘t jammeren, En moet ge, als heel uw lichaam op is, bekennen:
11And thou moan, when thine end cometh, when thy flesh and thy body are consumed,
12Hoe heb ik toch de tucht kunnen haten, En de vermaning in de wind kunnen slaan?
12And say: 'How have I hated instruction, and my heart despised reproof;
13Waarom heb ik niet geluisterd naar hen, die mij onderwezen, Geen aandacht geschonken aan hen, die mij leerden?
13Neither have I hearkened to the voice of my teachers, nor inclined mine ear to them that instructed me!
14Nu hebben mij haast alle rampen getroffen Midden in de kring van mijn volk!
14I was well nigh in all evil in the midst of the congregation and assembly.'
15Drink water uit uw eigen bron, Een koele dronk uit uw eigen put
15Drink waters out of thine own cistern, and running waters out of thine own well.
16Zoudt ge úw wellen over de rand laten stromen, Uw watergolven over de straten?
16Let thy springs be dispersed abroad, and courses of water in the streets.
17Néén, u alleen behoren zij toe, Niet aan vreemden nevens u.
17Let them be only thine own, and not strangers' with thee.
18Houd dus uw bron voor u zelf, En geniet van de vrouw uwer jeugd:
18Let thy fountain be blessed; and have joy of the wife of thy youth.
19Die aanminnige hinde, Die bevallige gems; Haar borsten mogen u ten allen tijde bevredigen. Aan haar liefde moogt ge u voortdurend bedwelmen.
19A lovely hind and a graceful doe, let her breasts satisfy thee at all times; with her love be thou ravished always.
20Waarom, mijn zoon, zoudt ge u aan een vreemde te buiten gaan, De boezem strelen van een onbekende?
20Why then wilt thou, my son, be ravished with a strange woman, and embrace the bosom of an alien?
21Voor de ogen van Jahweh liggen de wegen van iedereen open, Hij let op de paden van allen:
21For the ways of man are before the eyes of the LORD, and He maketh even all his paths.
22De boze wordt in zijn eigen wandaden verstrikt, In de banden van zijn zonden gevangen;
22His own iniquities shall ensnare the wicked, and he shall be holden with the cords of his sin.
23Zijn losbandigheid brengt hem om het leven, Door zijn vele dwaasheden komt hij om.
23He shall die for lack of instruction; and in the greatness of his folly he shall reel.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.