Spreuken
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Een goede naam is meer waard dan een groot vermogen, Bemind te zijn is beter dan zilver en goud.
1La réputation est préférable à de grandes richesses, Et la grâce vaut mieux que l’argent et que l’or.
2Rijk en arm ontmoeten elkaar, Jahweh is hun aller Schepper.
2Le riche et le pauvre se rencontrent; C’est l’Éternel qui les a faits l’un et l’autre.
3De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
3L’homme prudent voit le mal et se cache, Mais les simples avancent et sont punis.
4Het loon voor ootmoed en vreze voor Jahweh Is rijkdom, aanzien en leven.
4Le fruit de l’humilité, de la crainte de l’Éternel, C’est la richesse, la gloire et la vie.
5Doornen en strikken liggen op de weg van den valsaard; Wie zijn leven liefheeft, blijft er ver vandaan.
5Des épines, des pièges sont sur la voie de l’homme pervers; Celui qui garde son âme s’en éloigne.
6Oefen kinderen in de weg, die ze moeten gaan, Dan wijken ze ook in hun ouderdom er niet van af.
6Instruis l’enfant selon la voie qu’il doit suivre; Et quand il sera vieux, il ne s’en détournera pas.
7Wie rijk is, heerst over de armen; Wie leent, wordt de slaaf van wie uitleent.
7Le riche domine sur les pauvres, Et celui qui emprunte est l’esclave de celui qui prête.
8Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; De vrucht van zijn arbeid gaat te niet.
8Celui qui sème l’iniquité moissonne l’iniquité, Et la verge de sa fureur disparaît.
9Een vriendelijk mens wordt gezegend, Want hij deelt met den arme zijn brood.
9L’homme dont le regard est bienveillant sera béni, Parce qu’il donne de son pain au pauvre.
10Jaag den spotter weg, en het twisten houdt op, Er komt een eind aan vechten en schimpen.
10Chasse le moqueur, et la querelle prendra fin; Les disputes et les outrages cesseront.
11De zuivere van harte wordt door Jahweh bemind, De vleier is de vriend van den koning.
11Celui qui aime la pureté du cœur, Et qui a la grâce sur les lèvres, a le roi pour ami.
12De ogen van Jahweh houden vol kennis de wacht; Hij verijdelt de woorden van den zondaar.
12Les yeux de l’Éternel gardent la science, Mais il confond les paroles du perfide.
13De luiaard zegt: Buiten loopt een leeuw, Midden op straat word ik nog verscheurd!
13Le paresseux dit: Il y a un lion dehors! Je serai tué dans les rues!
14Een diepe kuil is de mond van vreemde vrouwen; Op wien Jahweh vertoornd is, die valt erin.
14La bouche des étrangères est une fosse profonde; Celui contre qui l’Éternel est irrité y tombera.
15Al zit de dwaasheid in het hart van een kind geworteld, De tuchtroede haalt ze er uit!
15La folie est attachée au cœur de l’enfant; La verge de la correction l’éloignera de lui.
16Wie een arme verdrukt, brengt hem voordeel; Wie aan een rijkaard iets geeft, veroorzaakt gebrek
16Opprimer le pauvre pour augmenter son bien, C’est donner au riche pour n’arriver qu’à la disette.
17Woorden van wijzen Neig uw oor en luister naar mijn woorden; Zet uw aandacht erop, om ze te leren kennen.
17Prête l’oreille, et écoute les paroles des sages; Applique ton cœur à ma science.
18Het is goed, als ge ze ter harte neemt, En ze allen bestendig op uw lippen hebt.
18Car il est bon que tu les gardes au-dedans de toi, Et qu’elles soient toutes présentes sur tes lèvres.
19Opdat ge in Jahweh uw vertrouwen moogt stellen, Maak ik ze heden bekend, ook aan u!
19Afin que ta confiance repose sur l’Éternel, Je veux t’instruire aujourd’hui, oui, toi.
20Een dertigtal heb ik er voor u opgeschreven: Ze bevatten goede raad en ervaring;
20N’ai-je pas déjà pour toi mis par écrit Des conseils et des réflexions,
21Ze leren u de waarheid en betrouwbare woorden, Zodat ge een goed antwoord kunt geven aan hen die u ondervragen
21Pour t’enseigner des choses sûres, des paroles vraies, Afin que tu répondes par des paroles vraies à celui qui t’envoie?
22Buit een arme niet uit, omdat hij arm is, Trap in de poort niet op den kleinen man;
22Ne dépouille pas le pauvre, parce qu’il est pauvre, Et n’opprime pas le malheureux à la porte;
23Want Jahweh zal het voor hen opnemen, En die hèn beroven, van het leven beroven.
23Car l’Éternel défendra leur cause, Et il ôtera la vie à ceux qui les auront dépouillés.
24Sluit geen vriendschap met een driftkop, Laat u niet in met een heethoofd;
24Ne fréquente pas l’homme colère, Ne va pas avec l’homme violent,
25Anders raakt ge vertrouwd met hun wegen, En zet ge een valstrik voor uzelf.
25De peur que tu ne t’habitues à ses sentiers, Et qu’ils ne deviennent un piège pour ton âme.
26Behoor niet tot hen, die handslag geven, En borg blijven voor schulden;
26Ne sois pas parmi ceux qui prennent des engagements, Parmi ceux qui cautionnent pour des dettes;
27Als ge niets hebt om te betalen, Haalt men het bed onder u weg.
27Si tu n’as pas de quoi payer, Pourquoi voudrais-tu qu’on enlève ton lit de dessous toi?
28Raak niet aan de eeuwenoude grenzen, Die uw voorvaderen hebben getrokken.
28Ne déplace pas la borne ancienne, Que tes pères ont posée.
29Ziet ge iemand die handig is met zijn werk, Hij komt bij koningen in dienst; Het gewone volk hoeft hij niet te dienen!
29Si tu vois un homme habile dans son ouvrage, Il se tient auprès des rois; Il ne se tient pas auprès des gens obscurs.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.