Spreuken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Louis Segond 1910
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde,
1Mon fils, si tu as cautionné ton prochain, Si tu t’es engagé pour autrui,
2Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen:
2Si tu es enlacé par les paroles de ta bouche, Si tu es pris par les paroles de ta bouche,
3Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste;
3Fais donc ceci, mon fils, dégage-toi, Puisque tu es tombé au pouvoir de ton prochain; Va, prosterne-toi, et fais des instances auprès de lui;
4Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap;
4Ne donne ni sommeil à tes yeux, Ni assoupissement à tes paupières;
5Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar.
5Dégage-toi comme la gazelle de la main du chasseur, Comme l’oiseau de la main de l’oiseleur.
6Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs!
6Va vers la fourmi, paresseux; Considère ses voies, et deviens sage.
7Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser,
7Elle n’a ni chef, Ni inspecteur, ni maître;
8Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen.
8Elle prépare en été sa nourriture, Elle amasse pendant la moisson de quoi manger.
9Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap?
9Paresseux, jusqu’à quand seras-tu couché? Quand te lèveras-tu de ton sommeil?
10Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar:
10Un peu de sommeil, un peu d’assoupissement, Un peu croiser les mains pour dormir!…
11En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover!
11Et la pauvreté te surprendra, comme un rôdeur, Et la disette, comme un homme en armes.
12Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal;
12L’homme pervers, l’homme inique, Marche la fausseté dans la bouche;
13Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers;
13Il cligne des yeux, parle du pied, Fait des signes avec les doigts;
14Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt!
14La perversité est dans son cœur, Il médite le mal en tout temps, Il excite des querelles.
15Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel.
15Aussi sa ruine arrivera-t-elle subitement; Il sera brisé tout d’un coup, et sans remède.
16Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw:
16Il y a six choses que hait l’Éternel, Et même sept qu’il a en horreur;
17Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten;
17Les yeux hautains, la langue menteuse, Les mains qui répandent le sang innocent,
18Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden;
18Le cœur qui médite des projets iniques, Les pieds qui se hâtent de courir au mal,
19Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt.
19Le faux témoin qui dit des mensonges, Et celui qui excite des querelles entre frères.
20Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde;
20Mon fils, garde les préceptes de ton père, Et ne rejette pas l’enseignement de ta mère.
21Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals.
21Lie-les constamment sur ton cœur, Attache-les à ton cou.
22Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt.
22Ils te dirigeront dans ta marche, Ils te garderont sur ta couche, Ils te parleront à ton réveil.
23Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven.
23Car le précepte est une lampe, et l’enseignement une lumière, Et les avertissements de la correction sont le chemin de la vie:
24Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde.
24Ils te préserveront de la femme corrompue, De la langue doucereuse de l’étrangère.
25Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden;
25Ne la convoite pas dans ton cœur pour sa beauté, Et ne te laisse pas séduire par ses paupières.
26Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven
26Car pour la femme prostituée on se réduit à un morceau de pain, Et la femme mariée tend un piège à la vie précieuse.
27Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit;
27Quelqu’un mettra-t-il du feu dans son sein, Sans que ses vêtements s’enflamment?
28Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt?
28Quelqu’un marchera-t-il sur des charbons ardents, Sans que ses pieds soient brûlés?
29Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af.
29Il en est de même pour celui qui va vers la femme de son prochain: Quiconque la touche ne restera pas impuni.
30Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft;
30On ne tient pas pour innocent le voleur qui dérobe Pour satisfaire son appétit, quand il a faim;
31Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft.
31Si on le trouve, il fera une restitution au septuple, Il donnera tout ce qu’il a dans sa maison.
32Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen;
32Mais celui qui commet un adultère avec une femme est dépourvu de sens, Celui qui veut se perdre agit de la sorte;
33Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt.
33Il n’aura que plaie et ignominie, Et son opprobre ne s’effacera point.
34Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien;
34Car la jalousie met un homme en fureur, Et il est sans pitié au jour de la vengeance;
35Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!
35Il n’a égard à aucune rançon, Et il est inflexible, quand même tu multiplierais les dons.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.