Spreuken 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Een goede naam is meer waard dan een groot vermogen, Bemind te zijn is beter dan zilver en goud.
1DE más estima es la buena fama que las muchas riquezas; y la buena gracia más que la plata y el oro.
2Rijk en arm ontmoeten elkaar, Jahweh is hun aller Schepper.
2El rico y el pobre se encontraron: á todos ellos hizo Jehová.
3De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
3El avisado ve el mal, y escóndese: mas los simples pasan, y reciben el daño.
4Het loon voor ootmoed en vreze voor Jahweh Is rijkdom, aanzien en leven.
4Riquezas, y honra, y vida, son la remuneración de la humildad y del temor de Jehová.
5Doornen en strikken liggen op de weg van den valsaard; Wie zijn leven liefheeft, blijft er ver vandaan.
5Espinas y lazos hay en el camino del perverso: el que guarda su alma se alejará de ellos.
6Oefen kinderen in de weg, die ze moeten gaan, Dan wijken ze ook in hun ouderdom er niet van af.
6Instruye al niño en su carrera: aun cuando fuere viejo no se apartará de ella.
7Wie rijk is, heerst over de armen; Wie leent, wordt de slaaf van wie uitleent.
7El rico se enseñoreará de los pobres; y el que toma prestado, siervo es del que empresta.
8Wie onrecht zaait, zal onheil oogsten; De vrucht van zijn arbeid gaat te niet.
8El que sembrare iniquidad, iniquidad segará: y consumiráse la vara de su ira.
9Een vriendelijk mens wordt gezegend, Want hij deelt met den arme zijn brood.
9El ojo misericordioso será bendito, porque dió de su pan al indigente.
10Jaag den spotter weg, en het twisten houdt op, Er komt een eind aan vechten en schimpen.
10Echa fuera al escarnecedor, y saldrá la contienda, y cesará el pleito y la afrenta.
11De zuivere van harte wordt door Jahweh bemind, De vleier is de vriend van den koning.
11El que ama la limpieza de corazón, por la gracia de sus labios su amigo será el rey.
12De ogen van Jahweh houden vol kennis de wacht; Hij verijdelt de woorden van den zondaar.
12Los ojos de Jehová miran por la ciencia; mas él trastorna las cosas de los prevaricadores.
13De luiaard zegt: Buiten loopt een leeuw, Midden op straat word ik nog verscheurd!
13Dice el perezoso: El león está fuera; en mitad de las calles seré muerto.
14Een diepe kuil is de mond van vreemde vrouwen; Op wien Jahweh vertoornd is, die valt erin.
14Sima profunda es la boca de las extrañas: aquel contra el cual estuviere Jehová airado, caerá en ella.
15Al zit de dwaasheid in het hart van een kind geworteld, De tuchtroede haalt ze er uit!
15La necedad está ligada en el corazón del muchacho; mas la vara de la corrección la hará alejar de él.
16Wie een arme verdrukt, brengt hem voordeel; Wie aan een rijkaard iets geeft, veroorzaakt gebrek
16El que oprime al pobre para aumentarse él, y que da al rico, ciertamente será pobre.
17Woorden van wijzen Neig uw oor en luister naar mijn woorden; Zet uw aandacht erop, om ze te leren kennen.
17Inclina tu oído, y oye las palabras de los sabios, y pon tu corazón á mi sabiduría:
18Het is goed, als ge ze ter harte neemt, En ze allen bestendig op uw lippen hebt.
18Porque es cosa deleitable, si las guardares en tus entrañas; y que juntamente sean ordenadas en tus labios.
19Opdat ge in Jahweh uw vertrouwen moogt stellen, Maak ik ze heden bekend, ook aan u!
19Para que tu confianza sea en Jehová, te las he hecho saber hoy á ti también.
20Een dertigtal heb ik er voor u opgeschreven: Ze bevatten goede raad en ervaring;
20¿No te he escrito tres veces en consejos y ciencia,
21Ze leren u de waarheid en betrouwbare woorden, Zodat ge een goed antwoord kunt geven aan hen die u ondervragen
21Para hacerte saber la certidumbre de las razones verdaderas, para que puedas responder razones de verdad á los que á ti enviaren?
22Buit een arme niet uit, omdat hij arm is, Trap in de poort niet op den kleinen man;
22No robes al pobre, porque es pobre, ni quebrantes en la puerta al afligido:
23Want Jahweh zal het voor hen opnemen, En die hèn beroven, van het leven beroven.
23Porque Jehová juzgará la causa de ellos, y despojará el alma de aquellos que los despojaren.
24Sluit geen vriendschap met een driftkop, Laat u niet in met een heethoofd;
24No te entrometas con el iracundo, ni te acompañes con el hombre de enojos;
25Anders raakt ge vertrouwd met hun wegen, En zet ge een valstrik voor uzelf.
25Porque no aprendas sus maneras, y tomes lazo para tu alma.
26Behoor niet tot hen, die handslag geven, En borg blijven voor schulden;
26No estés entre los que tocan la mano, entre los que fían por deudas.
27Als ge niets hebt om te betalen, Haalt men het bed onder u weg.
27Si no tuvieres para pagar, ¿por qué han de quitar tu cama de debajo de ti?
28Raak niet aan de eeuwenoude grenzen, Die uw voorvaderen hebben getrokken.
28No traspases el término antiguo que pusieron tus padres.
29Ziet ge iemand die handig is met zijn werk, Hij komt bij koningen in dienst; Het gewone volk hoeft hij niet te dienen!
29¿Has visto hombre solícito en su obra? delante de los reyes estará; no estará delante de los de baja suerte.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.