Spreuken 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af.
1Moudrá žena vzdělává dům svůj, bláznice pak rukama svýma boří jej.
2Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen.
2Kdo chodí v upřímnosti své, bojí se Hospodina, ale převrácený v cestách svých pohrdá jím.
3In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd.
3V ústech blázna jest hůl pýchy, rtové pak moudrých ostříhají jich.
4Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os.
4Když není volů, prázdné jsou jesle, ale hojná úroda jest v síle volů.
5Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens.
5Svědek věrný neklamá, ale svědek falešný mluví lež.
6De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden.
6Hledá posměvač moudrosti, a nenalézá, rozumnému pak umění snadné jest.
7Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet.
7Odejdi od muže bláznivého, když neseznáš při něm rtů umění.
8De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid.
8Moudrost opatrného jest, aby rozuměl cestě své, bláznovství pak bláznů ke lsti.
9Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade.
9Blázen přikrývá hřích, ale mezi upřímými dobrá vůle.
10Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.
10Srdce ví o hořkosti duše své, a k veselí jeho nepřimísí se cizí.
11Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op.
11Dům bezbožných vyhlazen bude, ale stánek upřímých zkvetne.
12Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
12Cesta zdá se přímá člověku, a však dokonání její jest cesta k smrti.
13Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit.
13Také i v smíchu bolí srdce, a cíl veselí jest zámutek.
14Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden.
14Cestami svými nasytí se převrácený srdcem, ale muž dobrý štítí se jeho.
15De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt.
15Hloupý věří každému slovu, ale opatrný šetří kroku svého.
16De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in.
16Moudrý bojí se a odstupuje od zlého, ale blázen dotře a smělý jest.
17De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam.
17Náhlý se dopouští bláznovství, a muž myšlení zlých v nenávisti bývá.
18De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond.
18Dědičně vládnou hlupci bláznovstvím, ale opatrní bývají korunováni uměním.
19De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan.
19Sklánějí se zlí před dobrými, a bezbožní u bran spravedlivého.
20Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk.
20Také i příteli svému v nenávisti bývá chudý, ale milovníci bohatého mnozí jsou.
21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!
21Pohrdá bližním svým hříšník, ale kdož se slitovává nad chudými, blahoslavený jest.
22Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw.
22Zajisté žeť bloudí, kteříž ukládají zlé; ale milosrdenství a pravda těm, kteříž smýšlejí dobré.
23Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek.
23Všeliké práce bývá zisk, ale slovo rtů jest jen k nouzi.
24Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen.
24Koruna moudrých jest bohatství jejich, bláznovství pak bláznivých bláznovstvím.
25Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad.
25Vysvobozuje duše svědek pravdomluvný, ale lstivý mluví lež.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
26V bázni Hospodinově jestiť doufání silné, kterýž synům svým útočištěm bude.
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
27Bázeň Hospodinova jest pramen života, k vyhýbání se osídlům smrti.
28Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser.
28Ve množství lidu jest sláva krále, ale v nedostatku lidu zahynutí vůdce.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
29Zpozdilý k hněvu hojně má rozumu, ale náhlý pronáší bláznovství.
30Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente.
30Život těla jest srdce zdravé, ale hnis v kostech jest závist.
31Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer.
31Kdo utiská chudého, útržku činí Učiniteli jeho; ale ctí jej, kdož se slitovává nad chudým.
32Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd.
32Pro zlost svou odstrčen bývá bezbožný, ale naději má i při smrti své spravedlivý.
33In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend.
33V srdci rozumného odpočívá moudrost, co pak jest u vnitřnosti bláznů, nezatají se.
34Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande.
34Spravedlnost zvyšuje národ, ale hřích jest ku pohanění národům.
35De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.
35Laskav bývá král na služebníka rozumného, ale hněviv na toho, kterýž hanbu činí.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.