1 Korintiers 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Broeders, ik herinner u aan het Evangelie, dat ik u heb gepreekt, dat gij ook hebt aangenomen, waarop gij gegrondvest zijt,
1Звіщаю ж вам, браттє, благовістє, що я благовіствував вам, котре й прийняли ви, і в котрому встояли,
2en waardoor gij zult worden gered, zo gij vasthoudt aan de zin, waarin ik het u heb verkondigd; in de veronderstelling althans, dat gij niet helemaal onnadenkend zijt gaan geloven.
2котрим і спасаєтесь, коли памятаєте, яким словом я благовіствував вам, хиба що марно увірували.
3Want vóór alles heb ik u overgeleverd, wat ik zelf had ontvangen: Christus is voor onze zonden gestorven volgens de Schriften;
3Бо я передав вам найперш, що й прийняв, що Христос умер за наші гріхи по писанням,
4Hij is begraven, de derde dag is Hij verrezen volgens de Schriften;
4і що поховано Його, і що встав третього дня по писанням,
5en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalf.
5і що явив ся Кифі а опісля дванайцятьом.
6Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, waarvan de meesten thans nog leven, en slechts enkelen zijn ontslapen.
6Після того явив ся більш пяти сотень братам разом, з котрих більше живуть і досї, инші ж і впокоїлись.
7Daarna is Hij verschenen aan Jakobus, toen aan alle Apostelen.
7Після того явив ся Якову, а потім усїм апостолам.
8Het laatst van allen verscheen Hij aan mij als aan de misdracht.
8На останок же всїх, мов якому недорідку, явивсь і менї.
9Ja waarlijk, ik ben de allerminste der Apostelen, niet waardig Apostel genoemd te worden, daar ik Gods Kerk heb vervolgd;
9Я бо останнїй з апостолів, котрий недостоєн зватись апостолом, бо гонив церкву Божу.
10maar door Gods genade ben ik, wat ik ben, en de genade, die Hij me schonk, is niet ijdel geweest, maar meer dan alle anderen heb ik gezwoegd; niet ik, maar Gods genade met mij.
10Благодаттю ж Божою я те, що є; і благодать Його до мене була не марна, а більш усїх їх працював я; не я ж, а благодать Божа, що зо мною.
11Of ik het nu ben, of de anderen: zó preken wij, en zó hebt gij het geloofd!
11Чи то ж я, чи то вони, так проповідуємо, і так ви увірували.
12Welnu, indien van Christus gepreekt wordt, dat Hij van de doden is verrezen, hoe kunnen dan sommigen onder u zeggen: De opstanding der doden is onmogelijk?
12Коли ж про Христа проповідуєть ся, що Він з мертвих устав, то як се деякі між вами кажуть, що нема воскресення мертвих?
13Indien de opstanding der doden onmogelijk is, dan is ook Christus niet verrezen.
13Коли ж воскресення мертвих нема, то й Христос не воскрес;
14Maar zo Christus niet is verrezen, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook uw geloof.
14коли ж Христос не воскрес, то марна проповідь наша, марна ж і віра ваша.
15Dan blijken we bovendien valse getuigen van God te zijn; want we hebben van God getuigd, dat Hij Christus heeft opgewekt; terwijl Hij Hem niet opgewekt heeft, zo er inderdaad geen doden verrijzen.
15І ми являємось кривими сьвідками Божими, бо сьвідкували про Бога, що воскресив Христа, котрого не воскресив, коли мертві не встають.
16Want zo er geen doden verrijzen, dan is ook Christus niet verrezen.
16Бо коли мертві не встають, то й Христос не встав.
17Maar zo Christus niet is verrezen, dan is uw geloof zonder nut, en zijt gij nog in uw zonden;
17А коли Христос не встав, то марна віра ваша: ви ще в гріхах ваших.
18dan zijn ook zij verloren, die in Christus ontsliepen.
18Тодї й померші в Христї погибли.
19Zo we alleen voor dit leven onze hoop stellen op Christus, dan zijn we de meest beklagenswaardige van alle mensen.
19Коли тільки в сьому життї вповаємо на Христа, то окаяннїщї (нещасливійші) ми всїх людей.
20Maar neen, Christus is van de doden verrezen, als Eersteling onder hen, die ontslapen zijn.
20Тепер же Христос устав з мертвих; первістком між мертвими став ся.
21Want omdat door een mens de dood is gekomen, daarom ook is door een Mens de opstanding der doden.
21Яко ж бо через чоловіка (прийшла) смерть, так через чоловіка й воскресеннє з мертвих.
22Zoals allen immers sterven door hun gemeenschap met Adam, zo zullen ook allen door hun gemeenschap met Christus herleven.
22Як бо в Адамі всї вмирають, так і в Христї всї оживають.
23Maar iedereen naar eigen rang. Christus als Eersteling; dan zij, die Christus toebehoren bij zijn komst.
23Кожен своїм порядком: Первісток Христос, а потім Христові у приходї Його.
24Daarna komt het einde, als Hij het koningschap aan God en den Vader overdraagt, na alle heerschappij en alle macht en kracht te hebben vernietigd.
24Тодї (прийде) конець, як передасть царство Богу й Отцеві, як зруйнує всяке старшинуваннє і всяку власть і силу.
25Want Hij moet Koning zijn, totdat “Hij alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd”.
25Мусить бо Він царювати, доки положить усїх ворогів під ноги Його.
26En de dood is de laatste vijand, die vernietigd wordt;
26Останнїй ворог зруйнуєть ся — смерть.
27want àlles heeft Hij onder zijn voeten gelegd. Wanneer Hij nu zegt, dat àlles onderworpen is, dan is heel duidelijk Hijzelf uitgezonderd, die alles aan Hem onderwierp.
27Усе бо впокорив під ноги Його. Коли ж рече, що все впокорено, то явно, що окрім Того, хто покорив Йому все.
28Zodra dus alles aan Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zichzelf onderwerpen aan Dengene, die alles aan Hem onderwierp, opdat God zij: Alles in allen.
28Коли ж упокорить ся Йому все, тодї і сам Син упокорить ся Тому, хто впокорив Йому все, щоб Бог був усе у всьому.
29Wat toch zullen zij aanvangen, die zich voor de doden laten dopen, zo er helemaal geen doden verrijzen? Waarom dan laten ze zich voor hen dopen?
29Ато що робити муть ті, хто хрестить ся ради мертвих, коли зовсїм мертві не встають? чого ж і хрестять ся ради мертвих?
30En waartoe dient het dan, dat wijzelf ieder uur in gevaar verkeren?
30Чого ж і ми небезпечимось всякого часу?
31Elke dag zie ik de dood van nabij; broeders, zowaar ik op u roem, in Christus Jesus onzen Heer.
31Що-дня вмираю; так (по правдї нехай буде) менї ваша похвала, що маю в Христї Ісусї, Господї нашому.
32Als ik te Éfese met wilde dieren had gevochten, zoals de mensen het wilden, wat zou het me hebben gebaat? Wanneer de doden niet verrijzen, laat ons dan maar eten en drinken, want morgen gaan we dood.
32Коли б я чоловічим робом боров ся з зьвірями в Єфесї, то яка менї користь, коли мертві не встають? Нумо їсти й пити, бо завтра помремо.
33Laat u niet verleiden: Slechte omgang bederft goede zeden.
33Не обманюйте себе: ледачі бесїди псують добрі звичаї.
34Gebruikt uw nuchter verstand, zoals het behoort, en zondigt niet. Want er zijn er, die van God geen begrip hebben. Ik zeg het tot uw beschaming.
34Протверезїть ся праведно та не грішіть; бо деякі не знають Бога. На сором вам глаголю.
35Maar, zal iemand zeggen: Op welke wijze verrijzen de doden; met wat voor lichaam komen ze terug?
35Та хто-небудь скаже: Як устануть мертві? і в якому тїлї прийдуть?
36Gij dwaas! Wat ge zelf zaait, wordt niet levend, zo het niet gestorven is;
36Безумний! що ти сїєш, не оживе, коли не вмре.
37bovendien wat ge zaait, is niet de uitwendige gestalte, die te voorschijn treedt, doch een naakte korrel, bijvoorbeeld van graan of iets anders;
37І що сїєш, не тїло будуче сїєш, а голе зерно, як лучить ся, пшеничне, або яке инше.
38maar God geeft er een gestalte aan, zoals het Hem behaagt, en wel aan ieder zaad zijn eigen gestalte.
38Бог же дає йому тїло, яке схоче, і кожному насїнню своє тїло.
39Alle vlees is niet hetzelfde; maar anders is dat van mensen, anders dat van het vee, van vogels en vissen.
39Не кожне тїло таке саме тїло; тільки инше тїло в людей, инше тїло в скотини, инше у риб, инше ж у птаства.
40Er zijn hemellichamen en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse.
40(Єсть) і тїла небесні й тїла земні, та инша слава небесних, а инша земних.
41Anders is de glans van de zon, anders de glans van de maan, anders de glans van de sterren; zelfs de ene ster verschilt van de andere in glans.
41Инша слава сонця, а инша слава місяця, і инша слава зір; зоря бо від зори відрізняєть ся славою.
42Zo is het ook met de opstanding der doden: Het wordt gezaaid in bederf, Het verrijst onbederflijk.
42Так і воскресеннє мертвих. Сїєть ся у зотлїннє, устає у нетлїнню.
43Het wordt gezaaid in oneer, Het verrijst in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, Het verrijst in kracht.
43Сїєть ся в безчестю, устає в славі; сїєть ся в немочі, устає в силї.
44Een ziele-lichaam wordt gezaaid, Een geestelijk lichaam verrijst! Bestaat er een ziele-lichaam, er bestaat ook een geestelijk lichaam.
44Сїєть ся тїло душевне, устає тїло духовне; єсть тїло душевне і єсть тїло духовне.
45Aldus staat er ook geschreven: “De eerste mens Adam werd een levende ziel;” de laatste Adam een levendmakende Geest.
45Так і написано: Став ся первий чоловік Адам душею живою, а останнїй Адам духом животворящим.
46Niet het geestelijke gaat vooraf, maar wel het bezielde; daarna komt het geestelijke.
46Тільки перш не духовне (було), а душевне, духовне ж потім.
47De eerste mens was uit de aarde, aards; de tweede Mens is uit de hemel.
47Первий чоловік із землї земний; другий чоловік Господь з неба.
48Welnu, zoals de aardse was, zo zijn ook de aardse; zoals de Hemelse was, zo zullen ook de hemelse zijn;
48Який земний, такі й земні; і який небесний, такі й небесні.
49en zoals we de gestalte van den aardsen hebben gedragen, zo moeten we ook de gestalte van den Hemelsen dragen.
49І яко ж носили ми образ земного, так носити мем і образ небесного.
50Ik bedoel dit, broeders: vlees en bloed kunnen geen deel hebben aan het koninkrijk Gods, en het bederf heeft geen deel aan het onbederflijke.
50Се ж глаголю, браттє, що тїло і кров царства Божого наслїдити не може; і зотлїннє незотлїння не наслїдить.
51Zie ik deel u een geheimenis mee: Niet allen zullen wij ontslapen, maar wel allen van gedaante veranderen;
51Ось тайну вам глаголю: Всї не впокоїмось, всї ж перемінимось.
52plotseling, in een oogwenk, bij de laatste stoot der bazuin. Want zodra de bazuin zal schallen, zullen de doden verrijzen, onbederflijk, maar wij van gedaante veranderen.
52У хвилину, у миг ока, за останньою трубою — бо затрубить, і мертві повстають нетлїнними, і ми попереміняємось.
53Want dit bederflijke moet met het onbederflijke worden bekleed; dit sterflijke met onsterflijkheid.
53Треба бо тлїнному сьому одягнутись у нетлїннє, і смертному сьому одягнутись у безсмертє.
54En zodra dit bederflijke met het onbederflijke is bekleed, en dit sterflijke met onsterflijkheid, wordt het woord vervuld, dat geschreven staat: De dood is verzwolgen in overwinning.
54Як же тлїнне се одягнеть ся в нетлїннє і смертне се одягнеть ся в безсмертє, тодї станеть ся написане слово: Пожерта смерть побідою.
55Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?
55Де в тебе, смерте, жоло? де в тебе, пекло, побіда?
56De prikkel des doods is de zonde; de kracht der zonde de Wet.
56Жоло ж смерти — гріх, а сила гріха — закон.
57Maar God zij dank, die ons de overwinning geeft door Jesus Christus onzen Heer.
57Богу ж дяка, що дав нам побіду через Господа нашого Ісуса Христа.
58En daarom, mijn geliefde broeders, staat onbewegelijk vast, weest ten allen tijde rijk in ‘s Heren werk; gij weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in den Heer.
58Тим же, браттє моє любе, бувайте тверді, стійкі, надто збогачуючись у дїлї Господньому завсїди, знаючи, що праця ваша не марна перед Господем.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.