1 Korintiers 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Al spreek ik de talen van mensen en engelen, Maar ik heb de liefde niet: Ik ben een rinkelend bekken, Of een rammelend cymbaal.
1Коли мовами людськими глаголю й ангелськими, любови ж не маю, то став ся я як мідь дзвіняча і бубен гудячий.
2Al heb ik de gave der profetie, Al bezit ik alle geheimen en kennis, Al heb ik het volle geloof, dat bergen verzet: Zonder liefde ben ik niets.
2Коли маю пророцтво і знаю всї тайни і все знаннє, і коли маю всю віру, так щоб і гори переставляти, любови ж не маю, то я нїщо.
3Al schenk ik weg al wat ik heb, Al geef ik mijn lichaam, om mij te laten verbranden: Zo ik de liefde niet heb, Het dient mij tot niets.
3І коли роздам увесь маєток мій, і коли тїло моє передам, щоб його спалено, любови ж не маю, то нїякої користи менї (з того).
4De liefde is geduldig, De liefde is goedertieren, De liefde is niet afgunstig, Niet pronkzuchtig, niet verwaand.
4Любов довго терпить, милосердує; любов не завидує; любов не величаєть ся, не надимаєть ся,
5Zij handelt niet onedel, En zoekt zichzelve niet, Zij laat zich niet verbitteren, En rekent het kwade niet aan.
5не осоромлює, не шукає свого, не пориваєть ся до гнїву, не думає лихого;
6Over onrecht is zij niet blijde, Maar over de waarheid verheugd.
6не веселить ся неправдою, а веселить ся правдою;
7Alles bedekt zij, alles gelooft zij, Alles hoopt zij, alles duldt zij.
7все покриває, всьому йме віри, на все вповає, все терпить.
8De liefde: zij vergaat nimmer! Maar profetieën: zij houden op, En talen: zij zullen verstommen, En kennis: zij zal vergaan.
8Любов нїколи не впадає (гине); чи то ж пророцтва, вони впадуть; чи то мови, вони замовкнуть; чи то знаннє, воно зникне.
9Want ons kennen is ten halve, Ons profeteren slechts ten dele;
9Бо від части знаємо і від части пророкуємо.
10Maar komt eens het volmaakte, Het onvolmaakte verdwijnt.
10Як же прийде звершене, тодї те, що від части, зникне.
11Toen ik een kind was, sprak ik als kind, Voelde ik als kind, dacht ik als kind;
11Як був я малолїток, то яко малолїток говорив, яко малолїток розумів, яко малолїток думав; як же став чоловіком, то покинув дитяче.
12Nu ik een man ben, Leg ik het kinderlijke af. Thans zien wij in een wazige spiegel; Straks aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik slechts ten halve; Straks ten volle, zoals ik zelf ben gekend.
12Бачимо бо тепер через дзеркало, в загадцї, тодї ж лицем до лиця; тепер пізнаю від части, тодї ж пізнаю, яко ж і я познаний.
13Zo blijven bestaan Geloof, hoop en liefde, Drie in getal; Maar de grootste daarvan is de liefde.
13Тепер же пробувають віра, надїя, любов, сї троє; більша ж із сих любов.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.