1 Korintiers 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ik wil niet, broeders, dat gij er geen acht op zoudt slaan, hoe onze vaders allen onder de wolk waren, allen door de zee heentrokken,
1Не хочу ж, браттє, щоб ви не знали, що отцї наші всї під хмарою були, і всї через море переходили;
2en allen door wolk en zee in Moses werden gedoopt;
2і всї в Мойсея хрестили ся в хмарі і в морі;
3hoe ze allen dezelfde geestelijke spijs hebben gegeten;
3і всї ту саму їжу духовну їли;
4hoe ze allen dezelfde geestelijke drank hebben gedronken; want ze dronken uit een geestelijke rots, die hen vergezelde, en die rots was Christus.
4і всї той самий напиток духовний пили; бо пили з духовної скелї, що йшла за ними, скеля ж була Христос.
5Toch heeft God in de meesten van hen geen welbehagen gehad, want ze werden neergeveld in de woestijn;
5Та многих з них не вподобав Бог, бо поражені були в пустинї.
6en dit is geschied als voorafbeelding voor ons, opdat wij geen begeerte naar het kwade zouden hebben, zoals zij dat hebben gehad.
6Се ж стало ся нам прикладом, щоб не бажали лихого, яко ж і вони бажали.
7Weest ook geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen; gelijk geschreven staat: “Het volk zat neer, om te eten en te drinken, en men ging zich vermaken.”
7Анї ідолослужителями не робіть ся, яко ж деякі з них, яко ж писано: Посїдали люде їсти й пити і встали грати.
8Laten we ook geen ontucht bedrijven, zoals sommigen van hen ontucht bedreven; en op één dag vielen er drie en twintig duizend.
8Анї робім перелюбу, як деякі з них робили, та й полягло їх за один день двайцять три тисячі.
9Tarten we ook den Heer niet, zoals sommigen van hen hebben gedaan; en ze kwamen om door de slangen.
9Анї спокушуймо Христа, яко ж деякі з тих спокушували, та й погинули від гадюк.
10Mort ook niet, zoals sommigen van hen hebben gemord; en ze werden uitgeroeid door den verderfengel.
10Анї нарекаймо, яко ж деякі з них нарекали, та й погинули від губителя.
11Dit alles nu overkwam hun als een voorafbeelding voor ons, en het werd opgeschreven tot waarschuwing voor ons, die het einde der tijden beleven.
11Усе ж се прикладами стало ся їм, прописано ж на науку нашу, на котрих конець віку прийшов.
12Dus, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valt!
12Тим же, хто думає стояти, нехай гледить, щоб не впав.
13Gij hebt geen bovenmenselijke bekoring te doorstaan gehad. God is getrouw; Hij zal niet toelaten, dat gij boven uw krachten bekoord wordt, maar met de bekoring zal Hij ook het middel geven, om ze te kunnen doorstaan.
13Не яка спокуса настигла на вас, тільки чоловіча; вірен же Бог, котрий не допустить, щоб ви були спокушені більш, нїж що здолїєте (знести); а зробить із спокусою й вихід, щоб ви здолїли знести.
14En daarom, mijn geliefden, vlucht de afgoderij!
14Тим, любі мої, втїкайте від ідолського служення.
15Ik spreek tot verstandigen; beoordeelt dus zelf, wat ik zeggen ga.
15Яко мудрим глаголю; судїть, що я глаголю:
16Is de kelk der zegening, die wij zegenen, geen deelgenootschap aan het Bloed van Christus; is het brood, dat wij breken, geen deelgenootschap aan het Lichaam van Christus?
16Чаша благословення, котру благословляємо, хиба не єсть общеннє крови Христової? хлїб, що переломлюємо, хиба не єсть общеннє тїла Христового?
17Omdat het één Brood is, daarom zijn wij, hoe talrijk ook, één lichaam; want allen hebben wij deel aan het éne Brood.
17Бо один хлїб, одно тїло ми многі; всї бо від одного хлїба причащаємось.
18Beschouwt het Israël naar het vlees; zijn zij, die de offerspijzen eten, niet in gemeenschap met het altaar?
18Погляньте на Ізраїля по тїлу; хиба ті, що їдять посьвяти, не спільники жертівнї?
19Wat wil ik hiermee zeggen? Dat het offervlees iets is, of dat een afgod iets is?
19що ж я кажу? що ідол що-небудь єсть? або посьвят ідолський що-небудь єсть?
20Neen, maar wat ze offeren, offeren ze aan duivels en niet aan God. En ik wil niet, dat gij in gemeenschap staat met de duivels.
20Нї, а що посьвячують погане, бісам посьвячують, а не Богові. Не хочу ж, щоб ви були спільниками бісів.
21Gij kunt de kelk des Heren niet drinken en de kelk der duivels. Gij kunt geen deel hebben aan de Tafel des Heren en aan de tafel der duivels.
21Не можете чашу Господню пити і чашу бісовську, не можете трапезї Господнїй причащати ся і трапезї бісовській.
22Of zouden we den Heer soms willen uitdagen? Zijn wij soms sterker dan Hij?
22Чи нам же роздражати Господа? хиба ми дужчі Його?
23Alles is geoorloofd! Maar niet alles is heilzaam! Alles is geoorloofd! Maar niet alles is stichtend.
23Все менї можна, та не все на користь; все менї можна, та не все збудовує.
24Niemand zoeke zijn eigen belang, maar dat van den naaste.
24Нїхто свого нехай не шукає, а кожен (того) що другого.
25Al wat in de vleeshal verkocht wordt, moogt gij eten, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van uw geweten.
25Все, що на торгу продаєть ся, їжте, нїчого не сумнячись задля совісти.
26Want: “Aan den Heer behoort de aarde met wat ze bevat.”
26Бо Господня земля і повня її.
27Zo een ongelovige u uitnodigt, en gij wilt er heen gaan, eet dan gerust al wat u wordt voorgezet, zonder verder onderzoek te doen tot geruststelling van het geweten.
27Коли ж хто з невірних запрошує вас і схочете пійти, то все поставлене перед вами їжте, нїчого не сумнячись задля совісти.
28Maar zo iemand u zegt: “dit is offervlees,” eet er dan niet van, zowel om hem, die er u opmerkzaam op maakte, als om gewetenswil.
28Коли ж хто вам скаже: Се ідолський посьвят, тодї не їжте задля того, хто вам сказав, і задля совісти; бо Господня земля і повня її.
29Ik bedoel niet uw eigen geweten, maar dat van den ander. Waarom toch zou mijn vrijheid op zich zelf genomen afgemeten worden naar het geweten van een ander?
29Про совість же я кажу, не про свою, а про другого; чого бо вільність моя судити маєть ся від совісти другого?
30Wanneer ik na dankzegging van iets geniet, waarom zou ik gesmaald worden om iets, waarvoor ik dankzegging uitspreek?
30Коли ж я благодаттю причащаю ся, на що менї хулу приймати (за те), за що дякую?
31Derhalve, of gij eet, of drinkt, of wat gij ook doet, doet alles ter ere Gods!
31Оце ж, чи то їсте, чи пєте, чи що инше робите, все на славу Божу робіть.
32Geeft geen aanstoot aan Joden of heidenen, noch aan de Kerk van God;
32Не будьте спотиканнєм нї Жидам, нї Грекам, нї церкві Божій,
33zoals ook ikzelf allen in ieder opzicht terwille ben, en niet mijn eigen belang zoek, maar dat van de grote menigte, opdat ze behouden wordt.
33яко ж і я у всьому всїм годжу, не своєї шукаючи користи, а користи многих, щоб спасли ся.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.