1 Korintiers 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Wat de Geestesgaven betreft, broeders, wil ik u niet in het onzekere laten;
1Про духовне ж, браттє, не хочу, щоб ви не знали.
2gij weet het, toen gij heidenen waart, was het blindelings, dat gij naar de stomme afgoden werdt heengedreven.
2Ви знаєте, що як були ви поганами, то до ідолів безголосих воджено вас, мов ведених.
3Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die spreekt door Gods Geest, zegt: “Vervloekt zij Jesus;” en dat niemand zeggen kan: “Heer Jesus,” dan door den heiligen Geest.
3Тим кажу вам, що нїхто, Духом Божим глаголючи, не проклинає Ісуса, і нїхто не може назвати Господа Ісуса, як тільки Духом сьвятим.
4Welnu, er is verscheidenheid van genadegaven, maar er is slechts één Geest;
4Між даруваннями є ріжниця, Дух же той самий.
5en verscheidenheid van bedieningen, maar slechts één Heer;
5І ріжниця між служеннями, а той самий Господь.
6en verscheidenheid van werkingen, maar slechts één God, die alles in allen werkt.
6І ріжниця між роботами, один же Бог, що робить усе у всїх.
7En aan een ieder wordt de Geestesuiting geschonken, om er nut mee te stichten.
7Кожному ж даєть ся явленнє Духа на користь.
8Den één wordt het woord der wijsheid gegeven door den Geest, den ander het woord der kennis door denzelfden Geest,
8Тому бо Духом даєть ся слово премудрости, другому слово знання тим же Духом;
9een ander het geloof door denzelfden Geest, een ander de gaven der genezing door den énen Geest.
9иншому ж віра тим же Духом; иншому ж дарування сцїлення тим же Духом;
10Aan anderen weer het werken van wonderen, of de profetie, of de onderscheiding der geesten, of de veelheid van talen, of de vertolking der talen;
10иншому ж робленнє чудес; иншому ж пророкуваннє; иншому розпізнаваннє духів; иншому ж усякі мови; иншому виклади мов (язиків).
11maar dit alles werkt één en dezelfde Geest, die ieder toedeelt, zoals het Hem goeddunkt.
11Все ж се дїйствує один і той же Дух, удїляючи кожному, яко ж хоче.
12Want zoals het lichaam één is, ofschoon het veel leden heeft, en van de andere kant al de leden van het lichaam, hoe talrijk ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.
12Як бо тїло одно, а членів має багато, всї ж члени одного тїла, хоч багато їх, а одно тїло, так і Христос.
13Allen toch, Joden of heidenen, slaven of vrijen, allen zijn we in één Geest tot één lichaam gedoopt, en allen zijn we met één Geest gedrenkt.
13Бо одним Духом усї ми в одно тїло хрестились, чи то Жиди, чи Греки, чи невільники, чи вільні, і всї одним Духом напоєнї.
14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit meerdere leden.
14Бо тїло не єсть один член, а многі.
15Al zei de voet: omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort hij tot het lichaam.
15Коли скаже нога: я не рука, от же я не від тїла, то хиба через се не єсть від тїла?
16En al zei het oor: omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort het tot het lichaam.
16І коли скаже ухо: я не око, то ж я не від тїла, то хиба через те не єсть від тїла?
17Zo het lichaam één en al oog was, waar bleef het gehoor; was het één en al gehoor, waar bleef dan de reuk?
17Коли б усе тїло (було) око, де ж (був би) слух? Коли б усе слух, де понюх?
18Maar in werkelijkheid heeft God de leden, elk in het bijzonder, een plaats in het lichaam gegeven, zoals het Hem heeft behaagd.
18Та Бог розложив члени кожного по одному з них в тїлї, яко ж схотїв.
19En van de andere kant, zo alle nu eens één lid vormden, waar bleef dan het lichaam?
19Коли ж би все (було) один член, то де (було б) тїло?
20Maar in werkelijkheid zijn er veel leden, doch slechts één lichaam.
20Тепер же багато членів, а тїло одно.
21Het oog kan niet tot de hand zeggen: Ik heb u niet nodig; het hoofd niet tot de voeten: Ik heb u niet nodig.
21Не може ж око сказати руцї: Не треба менї тебе; або знов голова ногам: Не треба менї вас.
22Integendeel, juist de schijnbaar zwakkere leden van het lichaam zijn het meest noodzakelijk;
22Нї, которі члени тїла здають ся слабшими, ті тим більше потрібні;
23wat ons in het lichaam minder edel toeschijnt, bekleden we met meer luister; en juist onze oneerbare ledematen ontvangen groter kiesheid;
23і которі здають ся нам неповажнїщими в тїлї, тим більше чести додаємо, і менше чесні наші (члени) більшу окрасу приймають.
24onze eerbare leden hebben dat niet nodig. Ja, God heeft het lichaam zó samengesteld, dat Hij groter eer gaf aan wat misdeeld is,
24Звичайним бо нашим того не треба. Та Бог зложив тїло, давши більшу честь послїднїйшому,
25opdat er in het lichaam geen tweedracht zou heersen, maar de leden gelijke zorg voor elkaar zouden dragen.
25щоб не було роздїлення в тїлї, а щоб члени однаково один про одного дбали.
26En wanneer één lid lijdt, lijden alle leden mee; komt één lid in aanzien, alle leden delen in zijn vreugde.
26І коли терпить один член, терплять з ним усї члени; а коли славить ся один член, радують ся з ним усї члени.
27Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder in het bijzonder zijn leden.
27Ви ж тїло Христове і члени від части (з особна).
28En in de Kerk heeft God den één aangesteld tot apostel, een ander tot profeet, een derde tot leraar; dan komen de wonderen, dan de gaven der genezing, hulpbetoon, bestuur, de veelheid van talen.
28І инших поставив Бог у церкві найперш апостолів, вдруге пророків, втретє учителїв, потім сили, а там даровання, сцїлення, помагання, порядкування, всякі мови.
29Zijn allen soms apostelen? Allen profeten? Allen leraars?
29Хиба всї апостоли? хиба всї пророки? хиба всї учителї? хиба всї сили?
30Hebben allen de wondermacht, allen de gaven der genezing? Spreken allen in talen, vertolken allen?
30хиба всї мають дарованнє сцїлення? хиба вони всї глаголють мовами? хиба всї викладають?
31Gij hunkert naar de hoogste gaven? Ik wijs u een weg, die nog veel hoger ligt.
31Жадайте ж дарувань луччих, і я покажу вам ще кращу дорогу.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.