1 Korintiers
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Wat de Geestesgaven betreft, broeders, wil ik u niet in het onzekere laten;
1O duchovních pak dařích, bratří, nechci, abyste nevěděli.
2gij weet het, toen gij heidenen waart, was het blindelings, dat gij naar de stomme afgoden werdt heengedreven.
2Víte, že jste byli pohané, kteříž k modlám němým, jakž jste bývali vedeni, tak jste chodili.
3Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die spreekt door Gods Geest, zegt: “Vervloekt zij Jesus;” en dat niemand zeggen kan: “Heer Jesus,” dan door den heiligen Geest.
3Protož známoť vám činím, že žádný v Duchu Božím mluvě, nezlořečí Pánu Ježíši, a žádný nemůže říci Pán Ježíš, jediné v Duchu svatém.
4Welnu, er is verscheidenheid van genadegaven, maar er is slechts één Geest;
4Rozdílníť pak darové jsou, ale tentýž Duch,
5en verscheidenheid van bedieningen, maar slechts één Heer;
5A rozdílná jsou přisluhování, ale tentýž Pán,
6en verscheidenheid van werkingen, maar slechts één God, die alles in allen werkt.
6A rozdílné jsou moci, ale tentýž Bůh, jenžto působí všecko ve všech.
7En aan een ieder wordt de Geestesuiting geschonken, om er nut mee te stichten.
7Jednomu pak každému dáno bývá zjevení Ducha k užitku.
8Den één wordt het woord der wijsheid gegeven door den Geest, den ander het woord der kennis door denzelfden Geest,
8Nebo někomu dána bývá skrze Ducha řeč moudrosti, jinému pak řeč umění podle téhož Ducha,
9een ander het geloof door denzelfden Geest, een ander de gaven der genezing door den énen Geest.
9Jinému víra v témž Duchu, jinému darové uzdravování v jednostejném Duchu,
10Aan anderen weer het werken van wonderen, of de profetie, of de onderscheiding der geesten, of de veelheid van talen, of de vertolking der talen;
10Někomu divů činění, jinému proroctví, jinému rozeznání duchů, jinému rozličnost jazyků, jinému vykládání jazyků.
11maar dit alles werkt één en dezelfde Geest, die ieder toedeelt, zoals het Hem goeddunkt.
11Ale to vše působí jeden a týž Duch, rozděluje jednomu každému obzvláštně, jakž ráčí.
12Want zoals het lichaam één is, ofschoon het veel leden heeft, en van de andere kant al de leden van het lichaam, hoe talrijk ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.
12Nebo jakož tělo jedno jest a mnoho má údů, ale všickni ti jednoho těla údové, mnozí jsouce, však jedno tělo jsou: tak i Kristus.
13Allen toch, Joden of heidenen, slaven of vrijen, allen zijn we in één Geest tot één lichaam gedoopt, en allen zijn we met één Geest gedrenkt.
13Skrze jednoho zajisté Ducha my všickni v jedno tělo pokřtěni jsme, buďto Židé, buďto Řekové, buďto služebníci, nebo svobodní, a všickni v jeden duch zapojeni jsme.
14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit meerdere leden.
14Nebo tělo není jeden úd, ale mnozí.
15Al zei de voet: omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort hij tot het lichaam.
15Dí-li noha: Poněvadž nejsem rukou, nejsem z těla, zdaliž proto není z těla?
16En al zei het oor: omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort het tot het lichaam.
16A dí-li ucho: Když nejsem oko, nejsem z těla, zdaliž proto není z těla?
17Zo het lichaam één en al oog was, waar bleef het gehoor; was het één en al gehoor, waar bleef dan de reuk?
17Jestliže všecko tělo jest oko, kde pak bude sluch? Pakli všecko tělo jest sluch, kde povonění?
18Maar in werkelijkheid heeft God de leden, elk in het bijzonder, een plaats in het lichaam gegeven, zoals het Hem heeft behaagd.
18Ale zřídil Bůh údy jeden každý z nich v těle, tak jakž jest on chtěl.
19En van de andere kant, zo alle nu eens één lid vormden, waar bleef dan het lichaam?
19Nebo kdyby byli všickni údové jeden úd, kde by bylo tělo?
20Maar in werkelijkheid zijn er veel leden, doch slechts één lichaam.
20Ale nyní mnozí údové jsou, však jedno tělo.
21Het oog kan niet tot de hand zeggen: Ik heb u niet nodig; het hoofd niet tot de voeten: Ik heb u niet nodig.
21A tak nemůžť oko říci ruce: Nepotřebí mi tebe, anebo opět hlava nohám: Nepotřebuji vás.
22Integendeel, juist de schijnbaar zwakkere leden van het lichaam zijn het meest noodzakelijk;
22Nýbrž mnohem více údové, kteříž se zdadí nejmdlejší v těle býti, potřební jsou.
23wat ons in het lichaam minder edel toeschijnt, bekleden we met meer luister; en juist onze oneerbare ledematen ontvangen groter kiesheid;
23A kteréž máme za nejméně ctihodné údy v těle, ty větší ctí přistíráme; a nezdobní údové naši hojnější ozdobu mají,
24onze eerbare leden hebben dat niet nodig. Ja, God heeft het lichaam zó samengesteld, dat Hij groter eer gaf aan wat misdeeld is,
24Ozdobní pak údové naši toho nepotřebují. Ale Bůh tak způsobil tělo, poslednějšímu dav hojnější poctu,
25opdat er in het lichaam geen tweedracht zou heersen, maar de leden gelijke zorg voor elkaar zouden dragen.
25Aby nebyla nesvornost v těle, ale aby údové jedni o druhé vespolek pečovali
26En wanneer één lid lijdt, lijden alle leden mee; komt één lid in aanzien, alle leden delen in zijn vreugde.
26A protož jestliže trpí co jeden úd, spolu s ním trpí všickni údové; pakli jest v slávě jeden úd, radují se spolu s ním všickni údové.
27Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder in het bijzonder zijn leden.
27Vy pak jste tělo Kristovo, a údové z částky.
28En in de Kerk heeft God den één aangesteld tot apostel, een ander tot profeet, een derde tot leraar; dan komen de wonderen, dan de gaven der genezing, hulpbetoon, bestuur, de veelheid van talen.
28A některé zajisté postavil Bůh v církvi nejprv apoštoly, druhé proroky, třetí učitele, potom moci, potom ty, kteří mají dary uzdravování, pomocníky, správce jiných, rozličnost jazyků mající.
29Zijn allen soms apostelen? Allen profeten? Allen leraars?
29Zdaliž jsou všickni apoštolé? Zdali všickni proroci? Zdali všickni učitelé? Zdali všickni divy činí?
30Hebben allen de wondermacht, allen de gaven der genezing? Spreken allen in talen, vertolken allen?
30Zdali všickni mají dary k uzdravování? Zdali všickni jazyky rozličnými mluví? Zdali všickni vykládají?
31Gij hunkert naar de hoogste gaven? Ik wijs u een weg, die nog veel hoger ligt.
31Snažujtež se pak dojíti darů lepších, a ještěť vyšší cestu vám ukáži.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.