1 Korintiers 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen ik dus tot u kwam, broeders, ben ik niet met macht van woord of wijsheid u de getuigenis Gods komen verkondigen.
1I já přišed k vám, bratří, nepřišel jsem s důstojností řeči nebo moudrostí, zvěstuje vám svědectví Boží.
2En ik was besloten, onder u niets te kennen, dan Jesus Christus, en Dien gekruisigd.
2Nebo tak jsem usoudil nic jiného neuměti mezi vámi, nežli Ježíše Krista, a to ještě toho ukřižovaného.
3Ik trad bij u op in zwakheid, vrees, en grote siddering;
3A byl jsem já u vás v mdlobě, a v bázni, i v strachu mnohém.
4mijn spreken en preken steunden niet op overtuigende woorden van wijsheid, maar op de overtuiging des Geestes en der kracht,
4A řeč má a kázaní mé nebylo v slibných lidské moudrosti řečech, ale v dokázání Ducha svatého a moci,
5opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op Gods kracht.
5Aby víra vaše nebyla založena v moudrosti lidské, ale v moci Boží.
6Toch preken we wijsheid onder de volmaakten; maar geen wijsheid dezer wereld, noch der machten dezer wereld, die vernietigd zullen worden.
6Moudrost pak mluvíme mezi dokonalými, ale moudrost ne tohoto světa, ani knížat světa tohoto, jenž hynou.
7Ja, we verkondigen een Wijsheid Gods, een geheimnisvolle, een verborgene, welke God vóór de tijden heeft voorbestemd tot onze glorie,
7Ale mluvíme moudrost Boží v tajemství, kterážto skryta jest, kterouž Bůh předuložil před věky k slávě naší,
8die geen der machten dezer wereld heeft gekend, —want zo ze haar gekend hadden, zouden ze den Heer der glorie niet hebben gekruisigd,
8Jížto žádný z knížat světa tohoto nepoznal. Nebo kdyby byli poznali, nebyliť by Pána slávy ukřižovali.
9maar een, waarvan geschreven staat: “Wat het oog niet heeft gezien, Noch het oor heeft gehoord, Noch in het hart van een mens is opgekomen, Wat God heeft bereid voor hen, die Hem liefhebben.”
9Ale kážeme, jakož psáno jest: Èehož oko nevídalo, ani ucho slýchalo, ani na srdce lidské vstoupilo, co jest připravil Bůh těm, kteříž jej milují.
10Immers, òns heeft God ze geopenbaard door den Geest. Want de Geest doorgrondt alles, zelfs de verborgenheden Gods.
10Nám pak Bůh zjevil skrze Ducha svého. Nebo Duch zpytuje všecky věci, i hlubokosti Božské.
11Wie der mensen toch kent de verborgenheden van den mens, behalve de geest van den mens, die in hem is? Zo ook kent niemand die van God, tenzij de Geest van God.
11Nebo kdo z lidí ví, co jest v člověku, jediné duch člověka, kterýž jest v něm? Takť i Božích věcí nezná žádný, jediné Duch Boží.
12Welnu, we hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar den Geest, die uit God is, opdat we zouden kennen wat ons door God is geschonken.
12My pak nepřijali jsme ducha světa, ale Ducha toho, kterýž jest z Boha, abychom věděli, které věci od Boha darovány jsou nám.
13En dat spreken we ook uit, niet met woorden door menselijke wijsheid aangeleerd, maar door den Geest onderwezen; het geestelijke met het geestelijke verenigend.
13O nichž i mluvíme ne těmi slovy, jimž lidská moudrost učí, ale kterýmž vyučuje Duch svatý, duchovním to, což duchovního jest, přivlastňujíce.
14Maar de verstands-mens aanvaardt niet wat van Gods Geest komt, want het is hem een dwaasheid; en hij kàn het zelfs niet kennen, omdat het op geestelijke wijze moet beoordeeld worden.
14Ale tělesný člověk nechápá těch věcí, kteréž jsou Ducha Božího; nebo jsou jemu bláznovství, aniž jich může poznati, protože ony duchovně mají rozsuzovány býti.
15De geestelijke mens daarentegen beoordeelt alles, zonder zelf door iemand beoordeeld te worden.
15Ale duchovní člověk rozsuzujeť všecko, sám pak od žádného nebývá souzen.
16“Wie toch kent het inzicht des Heren, dat hij Hem zou onderrichten?” Welnu, wij hebben het inzicht van Christus.
16Nebo kdo jest poznal mysl Páně? A kdo jej bude učiti? My pak mysl Kristovu máme.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.