1 Korintiers 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Wat nu het offervlees betreft, weten we: “Allen hebben we kennis.” Maar de kennis blaast op, de liefde bouwt op.
1O těch pak věcech, kteréž modlám obětovány bývají, víme, že všickni známost máme. A známost nadýmá, ale láska vzdělává.
2Zo iemand zich inbeeldt, iets te kennen, dan is zijn kennis nog niet, zoals ze wezen moet;
2Zdá-li se pak komu, že něco umí, ještě nic nepoznal, tak jakž by měl znáti.
3doch zo iemand liefde heeft tot God, dan is hij door Hem gekend.
3Ale jestliže kdo miluje Boha, tenť jest vyučen od něho.
4Wat dus het eten van het offervlees aangaat, weten we, dat er eigenlijk geen afgod in de wereld bestaat, en dat er geen God is, behalve Eén.
4A protož o pokrmích, kteříž se modlám obětují, toto dím: Víme, že modla na světě nic není a že není jiného žádného Boha nežli jeden.
5Want al zijn er ook zogenaamde goden in de hemel of op aarde, en zó zijn er inderdaad veel goden en veel heren,
5Nebo ačkoli jsou někteří, ješto slovou bohové, i na nebi i na zemi, (jakož jsou mnozí bohové a páni mnozí,)
6voor ons is er slechts één God, de Vader, uit wien alles voortkomt, en tot wien we geordend zijn, en één Heer Jesus Christus, door wien alle dingen, door wien ook wijzelf zijn.
6Ale my máme jediného Boha Otce, z něhož všecko, a my v něm, a jednoho Pána Ježíše Krista, skrze něhož všecko, i my skrze něho.
7Maar niet allen hebben die kennis. Sommigen toch, ook nu nog in de overtuiging, dat er werkelijk afgoden bestaan, eten het juist als offervlees, en hun geweten, zwak als het is, wordt er door bezoedeld.
7Ale ne ve všechť jest to umění. Nebo někteří se zlým svědomím pro modlu až dosavad jako modlám obětované jedí, a svědomí jejich, jsuci mdlé, poskvrňuje se.
8Zeker, het eten zal ons niet voor God brengen: eten we niet, we zijn er niet minder om: eten we wel, we worden er niet beter van.
8Nečiníť pak nás pokrm vzácných Bohu. Nebo budeme-li jísti, nic tím lepší nebudeme, a nebudeme-li jísti, nic horší nebudeme.
9Toch moet gij toezien, dat uw recht de zwakken niet tot aanstoot wordt.
9Ale vizte, ať by snad ta vaše moc nebyla k urážce mdlým.
10Want wanneer zo iemand u, den man van kennis, in een afgodstempel ziet aanliggen, zal dan het geweten van dien zwakken mens niet worden gestijfd in het eten der afgodenoffers?
10Nebo uzří-li kdo tebe, majícího známost, a ty sedíš při pokrmu modlám obětovaném, zdaliž svědomí toho, kterýž jest mdlý, nebude přivedeno k tomu, aby také jedl modlám obětované?
11Ja, dan gaat door uw kennis de zwakke verloren, de broeder, voor wien Christus gestorven is.
11I zahyneť bratr mdlý, (pro tvé to vědění), za kteréhož Kristus umřel.
12Maar door zó tegen de broeders te zondigen en hun zwak geweten te kwetsen, zondigt gij tegen Christus.
12A tak hřešíce proti bratřím, a urážejíce svědomí jejich mdlé, proti Kristu hřešíte.
13Daarom, zo het eten ergernis geeft aan mijn broeder, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder niet te ergeren.
13A protož jestližeť pohoršuje pokrm bližního mého, nebudu jísti masa na věky, abych nezhoršil bratra svého.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.