1 Korintiers
Chapter 12
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wat de Geestesgaven betreft, broeders, wil ik u niet in het onzekere laten;
1ORA, intorno a' doni spirituali, fratelli, io non voglio che siate in ignoranza.
2gij weet het, toen gij heidenen waart, was het blindelings, dat gij naar de stomme afgoden werdt heengedreven.
2Voi sapete che eravate Gentili, trasportati dietro agl'idoli mutoli, secondo che eravate menati.
3Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die spreekt door Gods Geest, zegt: “Vervloekt zij Jesus;” en dat niemand zeggen kan: “Heer Jesus,” dan door den heiligen Geest.
3Perciò, io vi fo assapere che niuno, parlando per lo Spirito di Dio, dice Gesù essere anatema; e che altresì niuno può dire Gesù esser il Signore, se non per lo Spirito Santo.
4Welnu, er is verscheidenheid van genadegaven, maar er is slechts één Geest;
4Or vi sono diversità di doni; ma non vi è se non un medesimo Spirito.
5en verscheidenheid van bedieningen, maar slechts één Heer;
5Vi sono ancora diversità di ministeri; ma non vi è se non un medesimo Signore.
6en verscheidenheid van werkingen, maar slechts één God, die alles in allen werkt.
6Vi son parimente diversità d'operazioni; ma non vi è se non un medesimo Iddio, il quale opera tutte le cose in tutti.
7En aan een ieder wordt de Geestesuiting geschonken, om er nut mee te stichten.
7Ora a ciascuno è data la manifestazion dello Spirito per ciò che è utile e spediente.
8Den één wordt het woord der wijsheid gegeven door den Geest, den ander het woord der kennis door denzelfden Geest,
8Poichè ad uno è data, per lo Spirito, parola di Sapienza; e ad un altro, secondo il medesimo Spirito, parola di scienza;
9een ander het geloof door denzelfden Geest, een ander de gaven der genezing door den énen Geest.
9e ad un altro fede, nel medesimo Spirito; e ad un altro doni delle guarigioni, per lo medesimo Spirito; e ad un altro l'operar potenti operazioni; e ad un altro profezia; e ad un altro discernere gli spiriti;
10Aan anderen weer het werken van wonderen, of de profetie, of de onderscheiding der geesten, of de veelheid van talen, of de vertolking der talen;
10e ad un altro diversità di lingue; e ad un altro l'interpretazion delle lingue.
11maar dit alles werkt één en dezelfde Geest, die ieder toedeelt, zoals het Hem goeddunkt.
11Or tutte queste cose opera quell'uno e medesimo Spirito, distribuendo particolarmente i suoi doni a ciascuno, come egli vuole.
12Want zoals het lichaam één is, ofschoon het veel leden heeft, en van de andere kant al de leden van het lichaam, hoe talrijk ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.
12PERCIOCCHÈ, siccome il corpo è un solo corpo , ed ha molte membra, e tutte le membra di quel corpo, che è un solo , benchè sieno molte, sono uno stesso corpo, così ancora è Cristo.
13Allen toch, Joden of heidenen, slaven of vrijen, allen zijn we in één Geest tot één lichaam gedoopt, en allen zijn we met één Geest gedrenkt.
13Poichè in uno stesso Spirito noi tutti siamo stati battezzati, per essere un medesimo corpo; e Giudei, e Greci; e servi, e franchi; e tutti siamo stati abbeverati in un medesimo Spirito.
14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit meerdere leden.
14Perciocchè ancora il corpo non è un sol membro, ma molti.
15Al zei de voet: omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort hij tot het lichaam.
15Se il piè dice: Perciocchè io non son mano, io non son del corpo, non è egli però del corpo?
16En al zei het oor: omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort het tot het lichaam.
16E se l'orecchio dice: Perciocchè io non son occhio, io non son del corpo; non è egli però del corpo?
17Zo het lichaam één en al oog was, waar bleef het gehoor; was het één en al gehoor, waar bleef dan de reuk?
17Se tutto il corpo fosse occhio, ove sarebbe l'udito? se tutto fosse udito, ove sarebbe l'odorato?
18Maar in werkelijkheid heeft God de leden, elk in het bijzonder, een plaats in het lichaam gegeven, zoals het Hem heeft behaagd.
18Ma ora Iddio ha posto ciascun de' membri nel corpo, siccome egli ha voluto.
19En van de andere kant, zo alle nu eens één lid vormden, waar bleef dan het lichaam?
19Che se tutte le membra fossero un sol membro, dove sarebbe il corpo?
20Maar in werkelijkheid zijn er veel leden, doch slechts één lichaam.
20Ma ora, ben vi son molte membra, ma vi è un sol corpo.
21Het oog kan niet tot de hand zeggen: Ik heb u niet nodig; het hoofd niet tot de voeten: Ik heb u niet nodig.
21E l'occhio non può dire alla mano: Io non ho bisogno di te; nè parimente il capo dire a' piedi: Io non ho bisogno di voi.
22Integendeel, juist de schijnbaar zwakkere leden van het lichaam zijn het meest noodzakelijk;
22Anzi, molto più necessarie che le altre son le membra del corpo, che paiono essere le più deboli.
23wat ons in het lichaam minder edel toeschijnt, bekleden we met meer luister; en juist onze oneerbare ledematen ontvangen groter kiesheid;
23Ed a quelle, che noi stimiamo esser le mano onorevoli del corpo, mettiamo attorno più onore, e le parti nostre meno oneste son più onestamente adorne.
24onze eerbare leden hebben dat niet nodig. Ja, God heeft het lichaam zó samengesteld, dat Hij groter eer gaf aan wat misdeeld is,
24Ma le parti nostre oneste non ne hanno bisogno; anzi Iddio ha temperato il corpo, dando maggiore onore alla parte che ne avea mancamento;
25opdat er in het lichaam geen tweedracht zou heersen, maar de leden gelijke zorg voor elkaar zouden dragen.
25acciocchè non vi sia dissensione nel corpo, anzi le membra abbiano tutte una medesima cura le une per le altre.
26En wanneer één lid lijdt, lijden alle leden mee; komt één lid in aanzien, alle leden delen in zijn vreugde.
26E se pure un membro patisce, tutte le membra patiscono con lui; e se un membro è onorato, tutte le membra ne gioiscono insieme.
27Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder in het bijzonder zijn leden.
27Or voi siete il corpo di Cristo, e membra di esso , ciascuno per parte sua.
28En in de Kerk heeft God den één aangesteld tot apostel, een ander tot profeet, een derde tot leraar; dan komen de wonderen, dan de gaven der genezing, hulpbetoon, bestuur, de veelheid van talen.
28E Iddio ne ha costituiti nella chiesa alcuni, prima apostoli, secondamente profeti, terzamente dottori; poi ha ordinate le potenti operazioni; poi i doni delle guarigioni, i sussidii, i governi, le diversità delle lingue.
29Zijn allen soms apostelen? Allen profeten? Allen leraars?
29Tutti sono eglino apostoli? tutti sono eglino profeti? tutti sono eglino dottori?
30Hebben allen de wondermacht, allen de gaven der genezing? Spreken allen in talen, vertolken allen?
30Tutti hanno eglino il dono del le potenti operazioni? tutti hanno eglino i doni delle guarigioni? parlano tutti diverse lingue? tutti sono eglino interpreti?
31Gij hunkert naar de hoogste gaven? Ik wijs u een weg, die nog veel hoger ligt.
31Or appetite, come a gara, i doni migliori; e ancora io ve ne mostrerò una via eccellentissima.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.