Lucas 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1In die dagen nu verscheen er een besluit van keizer Augustus, om een volkstelling over heel de wereld te houden.
1I stalo se v těch dnech, vyšlo jest vyrčení od císaře Augusta, aby byl popsán všecken svět.
2Deze volkstelling had plaats, eer Quirinius landvoogd van Syrië was.
2(To popsání nejprve stalo se, když vladařem Syrským byl Cyrenius.)
3Allen gingen op reis, om zich aan te geven, ieder naar zijn eigen stad.
3I šli všickni, aby zapsáni byli, jeden každý do svého města.
4En daar Josef uit het huis en het geslacht van David was, vertrok ook hij uit Galilea, uit de stad Názaret, naar Judea naar de stad van David, Bétlehem geheten,
4Vstoupil pak i Jozef od Galilee z města Nazarétu do Judstva, do města Davidova, kteréž slove Betlém, (protože byl z domu a z čeledi Davidovy,)
5om zich aan te geven met Maria, zijn verloofde vrouw, die in gezegende omstandigheden was.
5Aby zapsán byl s Marijí, zasnoubenou sobě manželkou, těhotnou.
6Terwijl ze daar waren, brak de tijd van haar moederschap aan;
6I stalo se, když tam byli, naplnili se dnové Marie, aby porodila.
7ze baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken, en legde Hem neer in een kribbe; want in het nachtverblijf was voor hen geen plaats.
7I porodila Syna svého prvorozeného, a plénkami ho obvinula, a položila jej v jeslech, neb neměli jinde místa v hospodě.
8Nu waren er herders in die streek, die in het open veld overnachtten, en hun kudde bewaakten.
8A pastýři byli v krajině té, ponocujíce a stráž noční držíce nad svým stádem.
9Eensklaps stond er voor hen een engel des Heren, en de glorie des Heren omstraalde hen; een hevige vrees greep hen aan.
9A aj, anděl Páně postavil se podle nich, a sláva Páně osvítila je. I báli se bázní velikou.
10Maar de engel sprak tot hen: Vreest niet; want zie, ik verkondig u een grote vreugde, die voor het hele volk is bestemd.
10Tedy řekl jim anděl: Nebojtež se; nebo aj, zvěstuji vám radost velikou, kteráž bude všemu lidu.
11Heden is u in de stad van David een Verlosser geboren, Christus de Heer!
11Nebo narodil se vám dnes Spasitel, jenž jest Kristus Pán, v městě Davidově.
12Dit zal u het teken zijn: ge zult een Kindje vinden, dat in doeken is gewikkeld, en in een kribbe ligt.
12A toto vám bude za znamení: Naleznete nemluvňátko plénkami obvinuté, a ležící v jeslech.
13En plotseling was de engel door een hemelse legerschare omringd; ze loofden God, en zeiden:
13A hned s andělem zjevilo se množství rytířstva nebeského, chválících Boha a řkoucích:
14Glorie aan God in den hogen, En vrede op aarde Onder de mensen van goede wil!
14Sláva na výsostech Bohu, a na zemi pokoj, lidem dobrá vůle.
15Toen de engelen weer naar de hemel waren gevaren, spraken de herders tot elkander: Laten we naar Bétlehem gaan, om te zien wat er gebeurd is, en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.
15I stalo se, jakž odešli od nich andělé do nebe, že ti lidé, totiž pastýři, řekli vespolek: Pojďme až do Betléma a vizme tu věc, jenž se stala, o níž Pán oznámil nám.
16Ze snelden er heen, en vonden Maria en Josef met het Kindje, dat in de kribbe lag.
16I přišli, chvátajíce, a nalezli Mariji a Jozefa, a nemluvňátko ležící v jeslech.
17Toen ze Het zagen, verhaalden ze, wat hun over dit Kind was gezegd.
17A viděvše, rozhlašovali to, což jim povědíno bylo o tom dítěti.
18Allen, die het hoorden, stonden verbaasd over het verhaal van de herders;
18I divili se všickni, kteříž slyšeli o tom, což bylo mluveno od pastýřů k nim.
19maar Maria bewaarde dit alles in haar hart, en overwoog het bij zichzelf.
19Ale Maria zachovávala všecka slova tato, skládajici je v srdci svém.
20Nu keerden de herders weer terug; ze loofden God, en zongen Hem lof, om al wat ze hadden gehoord en gezien, juist zoals het hun was gezegd.
20I navrátili se pastýři, velebíce a chválíce Boha ze všeho, což slyšeli a viděli, tak jakž bylo povědíno jim.
21Toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, ontving Hij de naam Jesus, die de engel Hem reeds had gegeven, eer Hij in de moederschoot was ontvangen.
21A když se naplnilo dní osm, aby obřezáno bylo dítě, nazváno jest jméno jeho Ježíš, kterýmž bylo nazváno od anděla, prve než se v životě počalo.
22En toen de tijd was gekomen voor hun reiniging volgens de Wet van Moses, brachten ze Hem naar Jerusalem, om Hem op te dragen aan den Heer,
22A když se naplnili dnové očišťování Marie podle Zákona Mojžíšova, přinesli jej do Jeruzaléma, aby ho postavili přede Pánem,
23zoals er geschreven staat in de Wet des Heren: “Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, moet den Heer worden toegewijd”,
23(Jakož psáno jest v Zákoně Páně, že každý pacholík, otvíraje život, svatý Pánu slouti bude,)
24en ook om een offer te brengen, naar het bevel van ‘s Heren Wet: een paar tortels of twee jonge duiven.
24A aby dali obět, jakož povědíno jest v Zákoně Páně, dvě hrdličky anebo dvé holoubátek.
25Zie, nu was er te Jerusalem een man, Simeon genaamd; hij was een rechtvaardig en godvrezend man, die verlangend uitzag naar de vertroosting van Israël, en over wien de Heilige Geest was gekomen.
25A aj, člověk jeden byl v Jeruzalémě, jemuž jméno Simeon. A člověk ten byl spravedlivý a nábožný, očekávající potěšení Izraelského, a Duch svatý byl v něm.
26De Heilige Geest had hem geopenbaard, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij den Gezalfde des Heren had aanschouwd.
26A bylo jemu zjeveno od Ducha svatého, že neuzří smrti, až by prve uzřel Krista Páně.
27Nu kwam hij naar de tempel, geleid door den Geest. En toen de ouders het Kind Jesus binnenbrachten, om voor Hem de voorschriften der Wet te volbrengen,
27Ten přišel, ponuknut jsa od Ducha Páně, do chrámu. A když uvodili dítě Ježíše rodičové, aby učinili podle obyčeje Zákona za něj,
28nam ook hij Het in zijn armen, zegende God, en sprak:
28Tedy on vzal jej na lokty své, i chválil Boha a řekl:
29Nu laat Gij, o Heer, uw dienaar gaan, In vrede naar uw woord.
29Nyní propouštíš služebníka svého, Pane, podle slova svého v pokoji.
30Want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd,
30Neboť jsou viděly oči mé spasení tvé,
31Dat Gij bereid hebt voor het oog aller volken:
31Kteréž jsi připravil před obličejem všech lidí,
32Een licht, tot verlichting der heidenen, En tot luister van Israël, uw volk.
32Světlo k zjevení národům a slávu lidu tvého Izraelského.
33Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat er van Hem werd gezegd.
33Otec pak a matka jeho divili se těm věcem, kteréž praveny byly o něm.
34Simeon zegende hen, en sprak tot Maria, zijn moeder: Zie, Hij is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken van tegenspraak;
34I požehnal jim Simeon, a řekl k Mariji, matce jeho: Aj, položen jest tento ku pádu a ku povstání mnohým v Izraeli, a na znamení, kterémužto bude odpíráno,
35en een zwaard zal ook uw eigen ziel doorboren. Zo moeten de gedachten van veler harten worden ontsluierd.
35(A tvou vlastní duši pronikne meč,) aby zjevena byla z mnohých srdcí myšlení.
36Ook was er een profetes, Anna, de dochter van Fanoeél, uit de stam van Aser. Ze was hoogbejaard. Na haar jeugd was ze zeven jaar gehuwd geweest;
36Byla také Anna prorokyně, dcera Fanuelova z pokolení Aser. Ta se byla zstarala ve dnech mnohých, a živa byla s mužem svým sedm let od panenství svého.
37nu was ze een weduwe van vier en tachtig jaar. Nooit verliet ze de tempel, maar diende God dag en nacht onder vasten en bidden.
37A ta vdova byla, mající let okolo osmdesáti a čtyř, kteráž nevycházela z chrámu, posty a modlitbami sloužeci Bohu dnem i nocí.
38Juist op dat ogenblik kwam ook zij naderbij; ook zij loofde God, en sprak over het Kind met allen, die Jerusalems verlossing verwachtten.
38A ta v touž hodinu přišedši, chválila Pána, a mluvila o něm všechněm, kteříž čekali vykoupení v Jeruzalémě.
39En toen ze alles volgens de Wet des Heren hadden volbracht, keerden ze naar Galilea terug, en naar Názaret, hun woonplaats.
39Oni pak, jakž vykonali všecko podle Zákona Páně, vrátili se do Galilee, do města svého Nazaréta.
40Het Kind groeide op, en nam in krachten toe; Het werd van wijsheid vervuld, en Gods genade rustte op Hem.
40Dítě pak rostlo a posilovalo se v duchu, plné moudrosti, a milost Boží byla v něm.
41Ieder jaar reisden zijn ouders tegen het paasfeest naar Jerusalem.
41I chodívali rodičové jeho každého roku do Jeruzaléma na den slavný velikonoční.
42En toen Hij twaalf jaar oud was geworden, trokken zij weer naar Jerusalem op, zoals dit voor het feest gebruikelijk was.
42A když byl ve dvanácti letech, a oni vstupovali do Jeruzaléma, podle obyčeje toho dne svátečního,
43Maar toen ze na afloop der feestdagen terugkeerden, bleef het Kind Jesus te Jerusalem achter. Zijn ouders bemerkten het niet,
43A když vykonali dni, a již se navracovali, zůstalo dítě Ježíš v Jeruzalémě, a nevěděli o tom Jozef a matka jeho.
44maar meenden, dat Hij Zich onder het reisgezelschap bevond; ze reisden dus de hele dag voort, en zochten Hem toen onder familie en bekenden.
44Domnívajíce se pak o něm, že by byl v zástupu, ušli den cesty. I hledali ho mezi příbuznými a známými.
45Maar toen ze Hem niet vonden, gingen ze Hem zoeken, en keerden naar Jerusalem terug.
45A nenalezše jeho, navrátili se do Jeruzaléma, hledajíce ho.
46Na drie dagen vonden ze Hem in de tempel, terwijl Hij te midden der leraars zat, naar hen luisterde en hen ondervroeg;
46I stalo se po třech dnech, že nalezli jej v chrámě, an sedí mezi doktory, poslouchaje jich a otazuje se jich.
47allen, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn schranderheid en over zijn antwoorden.
47A děsili se všickni, kteříž jej slyšeli, nad rozumností a odpovědmi jeho.
48Ze stonden versteld van dat schouwspel. Maar zijn moeder zei tot Hem: Mijn Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken in doodsangst naar U.
48A uzřevše ho, ulekli se. I řekla matka jeho k němu: Synu, proč jsi nám tak učinil? Aj, otec tvůj a já s bolestí hledali jsme tebe.
49Hij sprak tot hen: Waarom hebt gij Mij gezocht? Wist gij dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moet zijn?
49I řekl k nim: Co jest, že jste mne hledali? Zdaliž jste nevěděli, že v těch věcech, kteréž jsou Otce mého, musím já býti?
50Maar ze begrepen niet, wat Hij tot hen sprak.
50Ale oni nesrozuměli těm slovům, kteráž k nim mluvil.
51Nu ging Hij met hen naar Názaret terug. En Hij was hun onderdanig. Zijn moeder bewaarde dit alles in haar hart.
51I šel s nimi, a přišel do Nazarétu, a byl poddán jim. Matka pak jeho zachovávala všecka slova ta v srdci svém.
52En Jesus nam toe in wijsheid en jaren, en in welgevallen bij God en de mensen.
52A Ježíš prospíval moudrostí, a věkem, a milostí, u Boha i u lidí.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.