Lucas 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1In die dagen nu verscheen er een besluit van keizer Augustus, om een volkstelling over heel de wereld te houden.
1YA susede na ayo sija na jaane, jumuyong un bando guinen as Augusto Sesat, para todo y tano na mataotagüe, na y naanñija ufanmatugue gui padron.
2Deze volkstelling had plaats, eer Quirinius landvoogd van Syrië was.
2Este finenana na padron esta fumatinas, anae si Sirenio y magalaje guiya Siria.
3Allen gingen op reis, om zich aan te geven, ieder naar zijn eigen stad.
3Ya manjanao todo y taotao para ninatugue y naanñija gui padron, cada uno gui siudaña.
4En daar Josef uit het huis en het geslacht van David was, vertrok ook hij uit Galilea, uit de stad Názaret, naar Judea naar de stad van David, Bétlehem geheten,
4Ya jumanao si José guinin Galilea, guinin un siuda na naanña Nasaret, para ufalag Judea, gui siudan David, na mafanaan Betlehem, sa güiya y guima y familian David;
5om zich aan te geven met Maria, zijn verloofde vrouw, die in gezegende omstandigheden was.
5Para ufanmatugue gui padron yan si Maria, asaguaña umacamo yan güiya, anae estaba dangculo sa mapotgue,
6Terwijl ze daar waren, brak de tijd van haar moederschap aan;
6Ya susede, anae gaegue sija güije, y jaaniña ni para ufañago esta macumple;
7ze baarde haar eerstgeboren Zoon, wikkelde Hem in doeken, en legde Hem neer in een kribbe; want in het nachtverblijf was voor hen geen plaats.
7Ya mañago un laje finenana na patgon; ya mabalutan ni y pañales, ya manaason qui cajon sacate; sa taya sagañija gui guima.
8Nu waren er herders in die streek, die in het open veld overnachtten, en hun kudde bewaakten.
8Ya guaja pastot sija güije na tano, na mañaga gui fangualuan, ya jaadadaje y manadan quinilo gui puenge.
9Eensklaps stond er voor hen een engel des Heren, en de glorie des Heren omstraalde hen; een hevige vrees greep hen aan.
9Ya estagüe y angjet y señot tumotojgue guiya sija; y minalag Yuus jaina gui oriyañija; ya guaja dangculo na minaañao.
10Maar de engel sprak tot hen: Vreest niet; want zie, ik verkondig u een grote vreugde, die voor het hele volk is bestemd.
10Lao y angjet ilegña nu sija: Chamiyo fanmaañao; sa, estagüe, na juchule para jamyo mauleg na sinangan dangculo na minagof, para todo y taotao:
11Heden is u in de stad van David een Verlosser geboren, Christus de Heer!
11Sa esta mafañago para jamyo gui siudan David, pago na jaane, un Satbadot, na güiya si Cristo, y Señot.
12Dit zal u het teken zijn: ge zult een Kindje vinden, dat in doeken is gewikkeld, en in een kribbe ligt.
12Ya este y señatmiyo: Inseda y patgon mabalutan ni y pañales, ya umaason gui cajon sacate.
13En plotseling was de engel door een hemelse legerschare omringd; ze loofden God, en zeiden:
13Ya enseguidas anog yan y angjet y linajyan y sendalo gui langet, na manmantutuna as Yuus, ya ilegñija:
14Glorie aan God in den hogen, En vrede op aarde Onder de mensen van goede wil!
14Minalag gui y Gueftaquilo as Yuus, ya y tano pas gui entalo taotao ni y minagofña dangculo.
15Toen de engelen weer naar de hemel waren gevaren, spraken de herders tot elkander: Laten we naar Bétlehem gaan, om te zien wat er gebeurd is, en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.
15Ya jumuyong anae y angjet sija manmamapos guiya sija para y langet, y pastot sija manasangane. uno yan otro: Nije tafanmalag pues, asta Betlehem, ya talie este na güinaja ni esta jumuyong, na si Yuus jafanuejit.
16Ze snelden er heen, en vonden Maria en Josef met het Kindje, dat in de kribbe lag.
16Ya manmato chadeg, ya jasoda si Maria yan José, yan y diquique na patgon umaason gui cajon sacate.
17Toen ze Het zagen, verhaalden ze, wat hun over dit Kind was gezegd.
17Ya anae esta malie, janatungo y sinangan na mansinangane sija nu y diquique na patgon.
18Allen, die het hoorden, stonden verbaasd over het verhaal van de herders;
18Ya todo y manmanjungog, ninafanmanman pot y pastot sija, ni y sinanganñija.
19maar Maria bewaarde dit alles in haar hart, en overwoog het bij zichzelf.
19Lao si Maria jananana todo este sija na sinangan, jajasosoye gui corasonña.
20Nu keerden de herders weer terug; ze loofden God, en zongen Hem lof, om al wat ze hadden gehoord en gezien, juist zoals het hun was gezegd.
20Ya manato guato y pastot sija yan manmagof ya matuna si Yuus pot todo y güinaja ni munjayan jajungog yan jalie, jaftaemano y esta jasangane sija.
21Toen de acht dagen voorbij waren, die zijn besnijdenis vooraf moesten gaan, ontving Hij de naam Jesus, die de engel Hem reeds had gegeven, eer Hij in de moederschoot was ontvangen.
21Ya anae esta macumple y ocho na jaane, para umasirconsida güe mafanaan naanña si Jesus, taegüije y finanaan nu y angjet antes qui umamapotgueñaejon gui tiyan nanaña.
22En toen de tijd was gekomen voor hun reiniging volgens de Wet van Moses, brachten ze Hem naar Jerusalem, om Hem op te dragen aan den Heer,
22Ya anae esta macumple y jaanin y guinasgas, jaftaemanoja y lay Moises, sija macone güe guiya Jerusalem para umanae gui Señot.
23zoals er geschreven staat in de Wet des Heren: “Ieder kind van het mannelijk geslacht, dat de moederschoot opent, moet den Heer worden toegewijd”,
23(Jaftaemanoja y matuque gui lay y Señot: todo laje na jababa y tiyan, umafanaan santos para y Señot);
24en ook om een offer te brengen, naar het bevel van ‘s Heren Wet: een paar tortels of twee jonge duiven.
24Ya para umanae inefrese jaftaemanoja y masangan y lay y Señot, un pares na tortola pat dos patgon na paluma.
25Zie, nu was er te Jerusalem een man, Simeon genaamd; hij was een rechtvaardig en godvrezend man, die verlangend uitzag naar de vertroosting van Israël, en over wien de Heilige Geest was gekomen.
25Ya, estagüe, guaja un taotao guiya Jerusalem, na naanña si Simeon, ya este na taotao, cabales ya guefmanjonggue na jananangga y quinensuela y Israel: ya y Espiritu Santo gaegue gui jiloña.
26De Heilige Geest had hem geopenbaard, dat hij de dood niet zou zien, voordat hij den Gezalfde des Heren had aanschouwd.
26Ya esta mafanue güe nu y Espiritu Santo, na ti ulie finatae, antes na ulie Cristo, y Señot.
27Nu kwam hij naar de tempel, geleid door den Geest. En toen de ouders het Kind Jesus binnenbrachten, om voor Hem de voorschriften der Wet te volbrengen,
27Ya mato güe pot y Espiritu gui templo, ya anae machule, nu si tataña, y patgon Jesus gui templo para umafatinas pot guiya, taemanoja y costumbren y lay,
28nam ook hij Het in zijn armen, zegende God, en sprak:
28Ayo nae güiya jajogue gui canaeña ya jabendise si Yuus ya ilegña:
29Nu laat Gij, o Heer, uw dienaar gaan, In vrede naar uw woord.
29Pago polo, Señot, y tentagomo ya jumanao yan pas, taemanoja y sinanganmo.
30Want mijn ogen hebben uw heil aanschouwd,
30Sa jalie y matajo y satbasionmo,
31Dat Gij bereid hebt voor het oog aller volken:
31Ni esta unfamauleg gui menan todo y taotao;
32Een licht, tot verlichting der heidenen, En tot luister van Israël, uw volk.
32Y candit para ufanmatungo y nasion sija, yan y minalag para y taotaomo, Israel.
33Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat er van Hem werd gezegd.
33Ya si José yan y nanaña ninafanmanman nu ayo sija y jasasangan nu güiya;
34Simeon zegende hen, en sprak tot Maria, zijn moeder: Zie, Hij is bestemd tot val en opstanding van velen in Israël, en tot een teken van tegenspraak;
34Ya jabendise si Simeon ya ilegña ni nanaña as Maria: Estagüe na patgon esta mapolo para pinedong yan para ufanjinatsa y megae guiya Israel; yan para y señat ni y ninachatsaga,
35en een zwaard zal ook uw eigen ziel doorboren. Zo moeten de gedachten van veler harten worden ontsluierd.
35Yan y jago locue, sa y antimo na umadotgan nu y espada, ya para jinasoñija y megae na corason nae umatungo.
36Ook was er een profetes, Anna, de dochter van Fanoeél, uit de stam van Aser. Ze was hoogbejaard. Na haar jeugd was ze zeven jaar gehuwd geweest;
36Gaegue locue güije, si Ana y profeta palaoan, jagan Fanuel gui tribun Aser (na güiya guaja megae na jaaniña, yan sumaga yan y asaguaña siete años desde y binitgenña;
37nu was ze een weduwe van vier en tachtig jaar. Nooit verliet ze de tempel, maar diende God dag en nacht onder vasten en bidden.
37Ya bumiuda asta ochenta y cuatro años) ya ti jafapos gui templo, ya jaadodora si Yuus, puenge yan jaane nu y umayuyunat yan manaenaetae.
38Juist op dat ogenblik kwam ook zij naderbij; ook zij loofde God, en sprak over het Kind met allen, die Jerusalems verlossing verwachtten.
38Ya este mato güijija na ora ya janae si Yuus maase, ya jacumuentuse pot güiya todo sija y manmannangga ni linibre guiya Jerusalem.
39En toen ze alles volgens de Wet des Heren hadden volbracht, keerden ze naar Galilea terug, en naar Názaret, hun woonplaats.
39Lao anae esta jacumple todo sija, taemanoja y gaegue gui lay y Señot, manalo guato Galilea gui siudañija guiya Nasaret.
40Het Kind groeide op, en nam in krachten toe; Het werd van wijsheid vervuld, en Gods genade rustte op Hem.
40Ya y patgon dumangculo yan ninamatatnga ya bulagüe tiningo: ya y grasian Yuus gaegue gui jiloña.
41Ieder jaar reisden zijn ouders tegen het paasfeest naar Jerusalem.
41Ya manjajanao sija tataña todo y sacan asta Jerusalem gui guipot y pascua.
42En toen Hij twaalf jaar oud was geworden, trokken zij weer naar Jerusalem op, zoals dit voor het feest gebruikelijk was.
42Ya anae guaja esta dose na años, sija mangajulo guiya Jerusalem taemanoja y costumbren y guipot.
43Maar toen ze na afloop der feestdagen terugkeerden, bleef het Kind Jesus te Jerusalem achter. Zijn ouders bemerkten het niet,
43Ya anae jocog y jaane sija, manalo sija, ya sumaga y patgon, Jesus, guiya Jerusalem taetiningo nu y tataña sija.
44maar meenden, dat Hij Zich onder het reisgezelschap bevond; ze reisden dus de hele dag voort, en zochten Hem toen onder familie en bekenden.
44Ya jinasoñija na gaegue gui mangachongñija, ya un jaane na manjajanaoja; ya maaliligao güe gui entalo y parientesñija yan y manatungoñija.
45Maar toen ze Hem niet vonden, gingen ze Hem zoeken, en keerden naar Jerusalem terug.
45Lao anae ti masoda güe, manalo guato Jerusalem maaliligao güe.
46Na drie dagen vonden ze Hem in de tempel, terwijl Hij te midden der leraars zat, naar hen luisterde en hen ondervroeg;
46Ya susede anae esta malofan tres na jaane, inseda güe gui templo matatachong gui entalo y manfaye maecungog yan mafafaesen.
47allen, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn schranderheid en over zijn antwoorden.
47Ya todo sija y jumujungog ninafanmanman ni tiningoña yan y inepeña.
48Ze stonden versteld van dat schouwspel. Maar zijn moeder zei tot Hem: Mijn Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik zoeken in doodsangst naar U.
48Ya anae malie manmajngan ya ilegña nu güiya si nanaña: Patgon, jafa na unfatinasjam taeguenao? Estagüe si tatamo yan guajo na inaliligao jao yan y pinitinmame!
49Hij sprak tot hen: Waarom hebt gij Mij gezocht? Wist gij dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moet zijn?
49Ayo nae ilegña nu sija: Pot jafa yo na inaliligao? Ti intingo na y checho y tatajo nesesita yo na fatinas?
50Maar ze begrepen niet, wat Hij tot hen sprak.
50Lao sija ti jatungo ayo na sinangan y mansinangane.
51Nu ging Hij met hen naar Názaret terug. En Hij was hun onderdanig. Zijn moeder bewaarde dit alles in haar hart.
51Ya tumunog yan sija ya manjanao. guato Nasaret ya mansinejeta sija. Ya si nanaña jaadaje este todo sija gui corasoña.
52En Jesus nam toe in wijsheid en jaren, en in welgevallen bij God en de mensen.
52Ya si Jesus lumálamodong gui tiningoña yan y linecaña yan y grasia gui as Yuus yan y taotao sija.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.