Lucas 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Toen Hij nu opkeek, zag Hij de rijken hun giften in de offerkist storten.
1YA anae manatan julo, jalie y manrico na taotao sija, na jayuyute jalom y ninaenñija gui cajon salape.
2Maar Hij zag ook een arme weduwe, die er twee penningen in wierp.
2Ya jalie locue un pobble na biuda, na manyute jalom güije dos coble.
3En Hij sprak: Voorwaar, Ik zeg u: deze arme weduwe heeft er meer in gestort dan alle anderen.
3Ya ilegña: Jusangane jamyo ni y magajet. Este y pebble na biuda, manyute jalom mas qui todo sija:
4Want allen hebben van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede gegeven, heel haar vermogen.
4Sa todo estesija, y sebblanñijaja manmayute jalom minaeñija: lao este yan y pinebbleña, jayute todo jalom y güinajaña.
5Toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij versierd was met prachtige stenen en geschenken, sprak Hij:
5Yan pot y manguecuentos palo pot y templo, ni y maadotna manbonito na acho sija yan ninae sija, ilegña:
6Er zullen dagen komen, dat van al wat ge daar ziet, geen steen op de andere zal blijven, maar alles zal worden verwoest.
6Este sija na güinaja y inlie, estagüe, ufanmato jaane sija, na taya usobbla güine un acho gui jilo y otro, na ti umayute papa.
7Ze vroegen Hem: Meester, wanneer zal dat gebeuren, en wat zal het teken zijn, dat het op handen is?
7Ya mafaesen güe, ilegñija: Maestro, ngaean nae ujuyong estesija? yan jafa na señat uguaja, yanguin jijot para ufanmato este sija na güinaja?
8Hij sprak: Past op, dat gij u niet laat misleiden! Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben het; en de tijd is nabij. Gaat hen niet achterna.
8Ayonae ilegña: Guesadaje jamyo ya chamiyo fanmafabábaba: sa megae ufanmato pot y naanjo, ya ujaalog: Güiya yo ya y tiempo esta jijijot; chamiyo dumalálalaque sija.
9En wanneer gij hoort van oorlogen en omwentelingen, schrikt er niet van; want eerst moet dit alles gebeuren, en ook dan nog komt het einde niet dadelijk.
9Lao yanguin injingog y guera sija, yan y atboroto, chamiyo faninespápanta: sa nesesita ufanmato este sija finena; lao y uttimo ti enseguidas.
10Toen zeide Hij hun: Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk;
10Ayo nae ilegña nu sija: Y nasion sija ufangajulo contra y nasion, ya y raeno contra raeno:
11en er zullen geweldige aardbevingen zijn, en pest en hongersnood op verschillende plaatsen; verschrikkingen zullen er komen, en grote tekenen aan de hemel.
11Ya uguaja dangculon linao, ya y cada lugat ñinalang yan peste; yan uguaja minaañao sija, yan mandangculo na señat guinin y langet.
12Maar eer dit alles geschiedt, zal men de hand aan u slaan en u vervolgen; u in synagogen en kerkers brengen, u slepen voor koningen en landvoogden terwille van mijn Naam.
12Lao antes di todo este sija, ujapolo y canaeñija gui jilomiyo, ya infanmapetsigue, yan infanmaentrega gui sinagoga sija, yan y catset, yan infanmacone guato gui ray sija, yan y manmagas pot y naanjo.
13Dat zal u overkomen, omdat gij getuigenis afleggen moet.
13Ya ujuyong este guiya jamyo para testimonio.
14Neemt dan bij uzelf het besluit, er niet bezorgd voor te zijn, hoe gij u verdedigen zult.
14Polo gui corason miyo, na chamiyo jumajaso finena jafa para inepe:
15Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.
15Sa guajo junae jamyo pachot yan tiningo, ni todo y enimigunmiyo ti siña macontra ni umachaba.
16Gij zult overgeleverd worden door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden; sommigen van u zal men doden.
16Ya infanenentrega ni y mañaenanmiyo, yan y mañelunmiyo, yan y parientesmiyo, yan y amigonmiyo; yan guaja guiya jamyo umanamapuno.
17En gij zult gehaat zijn bij allen terwille van mijn Naam;
17Ya infanmachatlie ni todo y taotao pot y naanjo.
18maar geen haar op uw hoofd zal verloren gaan.
18Lao ni uno gui gaponulonmiyo ufalingo.
19Door uw standvastigheid zult gij uw ziel behouden.
19Ya y manpasensianmiyo nae, inganaye y antenmiyo.
20Wanneer gij Jerusalem door legers ziet ingesloten, weet dan, dat haar verwoesting nabij is.
20Ya anae inlie Jerusalem, na esta ineriyaye ni y sendalo sija, intingoja na esta jijijot y mayulangña.
21Laten zij, die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten; die binnen de stad zijn, er uittrekken, en die op het land zijn, er niet binnengaan.
21Ya ayonae y mangaegue guiya Judea, ufanmalago para y egso sija; ya ayo sija y mangaegue gui entaloña ufanjuyong; ya y mangaegue gui fangualuan, chañija fanjajalom güije.
22Want dat zijn dagen van wraak; en alles wat er geschreven staat, zal in vervulling gaan.
22Sa este sija y jaanin inemog, sa para umacumple todo y güinaja ni y esta manmatugue.
23Wee in die dagen de zwangere en de zogende vrouwen. Want daar zal grote ellende zijn in het land, en toorn over dit volk.
23Lao mannamaase ayo sija y manmapotgue, yan y mannanasusu güije sija na jaane! sa uguaja dangculon chinatsaga gui jilo tano, yan binibo gui jilo este taotao sija.
24Ze zullen over de kling worden gejaagd, en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jerusalem zal door de heidenen worden vertrapt, tot de tijden der heidenen voorbij zullen zijn.
24Ya ufamodong gui jilo y filon y espada, ya ufanmacone preso gui todo y nasion: ya Jerusalem umagacha papa ni y Gentiles, asta qui umacumple y tiempon y Gentiles.
25En er zullen tekenen zijn in zon en maan en sterren; en op de aarde doodsangst onder de volken, radeloos door het donderend geweld van de zee en de golven.
25Ya uguaja señat sija gui atdao yan y pilan, yan y pution sija; yan chinatsagan nasion sija gui jilo tano pot y guinadon pangpang y tase yan y napo.
26De mensen zullen verstijven van vrees en bange verwachting, van wat de wereld gaat overkomen; want de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
26Manlalalango y taotao sija, pot y manmaañaoñija, yan pot y ninanangga ni ayo sija y manmamamaela para y tano: sa manmayengyong y ninasiñan y langet sija.
27Dan zullen ze den Mensenzoon op een wolk zien komen, met grote macht en majesteit.
27Ya ayonae ujalie y Lajin taotao na mamamaela gui y mapagajes yan y ninasiña yan y dangculon minalag.
28Welnu, wanneer dit alles een aanvang gaat nemen, blikt op dan, en heft uw hoofden omhoog; want uw verlossing is nabij.
28Ya anae esta jatutujon sumesede este sija, ayonae infanalag jilo, ya injatsa julo y ilunmiyo; sa esta jijijot y para inmanafanlibre.
29En Hij stelde hun een gelijkenis voor: Ziet naar de vijgeboom en alle andere bomen;
29Ya jasangane sija un acomparasion, ilegña: Atanja y trongcon igos, yan todo y trongcon jayo sija.
30zodra gij ze ziet uitbotten, dan weet gij ook, dat de zomer nabij is.
30Yanguin esta manmañúñuso, inlie ya intingoja maesa jamyo na esta jijijot y verano.
31Zo ook, wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het koninkrijk Gods nabij is.
31Taegüenaoja locue jamyo yanguin inlie esta sija na masusede, tingo na esta jijijot y raenon Yuus.
32Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, vóórdat dit alles is geschied.
32Magajet jusangane jamyo: Ti ufapos este na generasion, asta qui todo sija manmacumple.
33Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
33Y langet yan y tano ufanmalofan, lao y finojo ti ufalofan.
34Let op uzelf. Laat uw harten niet worden bezwaard door brasserij, dronkenschap en de zorgen des levens; en laat die dag u niet onverhoeds overvallen,
34Ya inguesadaje jamyo na ufanbula y corasonmiyo ni y pinadog mañocho yan inelacho, yan y inadajen este na linâlâ, ya ufato guiya jamyo ayo na jaane derepente,
35als een strik. Want hij zal komen over allen, die de ganse aarde bewonen.
35Taegüijeja y laso: sa taegüijeja ufinatoña gui jilo todo sija y mañasaga gui jilo tano.
36Waakt dus, en blijft altijd bidden, opdat gij ontkomen moogt aan dat alles, wat er gebeuren gaat; en opdat gij stand moogt houden voor het aanschijn van den Mensenzoon.
36Enaomina fanbela todo tiempo, ya infanmanaetae, ya para infansiña manescapa ni todo estesija y ni ufanmato, yan para infanojgue gui menan y Lajin taotao.
37Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar ‘s nachts ging Hij heen en bleef op de berg, die Olijfberg wordt genoemd.
37Ya mamananagüe cada jaane gui templo; yan cada puenge jumajanao, ya sumasaga gui un ogso na mafanaan ogso Olibo.
38En al het volk kwam ‘s morgens vroeg bij Hem in de tempel, om Hem te horen.
38Ya todo y taotao sija manmafato gui templo, taftaf gui egaan, para umaecungog güe.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.