Lucas
Chapter 7
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Chamorro: Gospels,…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Toen Hij nu zijn toespraak tot het volk geheel had beëindigd, ging Hij naar Kafárnaum.
1YA despues di munjayan todo y finanagüeña si Jesucristo gui talangan taotao sija, güiya jumalom guiya Capernaum.
2Zeker honderdman nu had een knecht, aan wien hij zeer gehecht was; deze was ziek, en lag op sterven.
2Ya y tentago un senturion ni y guefyaña, estaba malango, ya esta para umatae.
3Daar hij van Jesus had horen spreken, zond hij joodse ouderlingen naar Hem toe, met het verzoek, om zijn knecht te komen genezen.
3Lao anae y senturion jajungog na masasangan si Jesus, jatago y manamco na Judios, para umagagao na ufato ya unajomlo y tentagoña.
4Toen ze bij Jesus waren gekomen, smeekten ze Hem dringend, en zeiden: Hij verdient, dat Gij dit voor hem doet;
4Ya anae manmato as Jesus, guefmagagao ilegñija: Dignogüe na unfatinas este pot güiya:
5want hij is ons volk genegen, en heeft voor ons de synagoge gebouwd.
5Sa jagüaeya y nasionmame ya japlantaye jam sinagoganmame.
6Jesus ging dus met hen mee. Toen Hij al dicht bij het huis was gekomen, zond de honderdman vrienden naar Hem toe met de boodschap: Heer, doe geen moeite. Neen, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt.
6Ya manjanao yan si Jesus. Ya anae esta manjijot gui guima y senturion jatago y amiguña sija para ualog as Jesus: Señot chamo ninachachatsaga; sa ti dignoyo na junajalom jao gui papa atofjo;
7Daarom ook heb ik me zelf niet waardig geacht, om tot U te komen; maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal genezen.
7Pot este ti jujaso na dignoyo na jufato guiya jago; lao sanganja ya ujomlo y tentagojo.
8Want ook ik ben een man, die zelf onder gezag ben gesteld, en soldaten onder me heb. En tot den een zeg ik: Ga, en hij gaat; en tot den ander: Kom, en hij komt; en tot mijn knecht: Doe dit, en hij doet het.
8Sa guajo locue na taotao gaegeuyo gui papa y ninasiña, ya guaja gui papajo sendalo sija; yan ileco nu este: Janao, ya mapos; ya y otro: Maela, ya mato; ya y tentagojo: Fatinas este, ya jafatinas.
9Toen Jesus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem; Hij wendde Zich tot de menigte, die Hem volgde, en sprak: Ik zeg u, zo’n groot geloof heb Ik zelfs in Israël niet gevonden.
9Ya anae jajungog si Jesus este, ninamanman nu güiya, ya jabiragüe ilegña ni y linajyan taotao ni y dumalalag güe: Jusangane jamyo na ti jusoda taegüije na dinangculon jinenggue ni iya Israel.
10En bij hun terugkomst thuis vonden de boden den knecht gezond.
10Ya anae manalo sija guato gui guima y manmanago, jasoda na jomlo y tentago ni estaba malango.
11Enige tijd later ging Hij naar een stad. Naïn geheten, vergezeld van zijn leerlingen en van een talrijke schare.
11Ya susede un rato despues di este na, si Jesus jumanao asta un siuda ni mafanaan Nain; ya mañisija yan y disipuluña yan y dangculon manadan taotao.
12Juist toen Hij de stadspoort naderde, werd er een dode uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was. Heel veel mensen uit de stad vergezelden haar.
12Ya anae esta jijot gui pettan y siuda, estagüe na macocone un matae, güiyaja lajin nanaña, ya biuda locue, ya linajyan taotao siuda mangachongchongña.
13Toen de Heer haar zag, had Hij innig medelijden met haar, en zeide tot haar: Ween maar niet.
13Ya anae linie ni y Señot ninamaase nu güiya, ya ilegña nu güiya: Chamo cumacasao.
14Hij kwam dichterbij, en raakte de baar aan; de dragers bleven staan. En Hij sprak: Jonge man, Ik zeg u: Sta op.
14Ya lumatguato ya japacha y andas; ya y chumuchule mañaga. Ya ilegña: Patgon, guajo jao sumangane, cajulo.
15De dode richtte zich op, en begon te spreken. Zo gaf Hij hem aan zijn moeder terug.
15Ya y estaba matae matachong ya jatutujon cumuentos, ya inentrega as Jesus gui as nanaña.
16Allen werden door vrees bevangen; ze verheerlijkten God en zeiden: Een groot profeet is onder ons opgestaan; en: God heeft zijn volk bezocht!
16Ya ninafanmaaañao todosija, ya maalaba si Yuus ilegñija: Dangculo na profeta esta cajulo entre yya jita: ya, si Yuus jagas jabisita taotaoña.
17En deze roep over Hem ging heel Judea rond, en overal in de omtrek.
17Ya jumanao este na famaña gui todo yya Judea yan todo oriya y tano.
18De leerlingen van Johannes gingen hem dit alles vertellen.
18Ya y disipulon Juan masangane güe todo estesija.
19Toen riep Johannes twee van zijn leerlingen, en zond hen tot den Heer met de vraag: Zijt Gij het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?
19Ya jaagang si Juan dos gui disipuluña ya jatago para as Jesus, ilegña: Cao jago yuje y para ufato pat infanmannangga jam otro?
20De mannen gingen dus naar Hem toe en zeiden: Johannes de Doper heeft ons tot U gezonden met de vraag: Zijt Gij het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?
20Ya anae manmato y taotao sija guiya güiya, ilegñija: Si Juan Bautista tumagojam para yya jago, ilegña: Cao jago yuje y para ufato pat infanmannangga jam otro?
21Juist op dat ogenblik genas Hij velen van ziekten, kwalen en boze geesten, en schonk Hij veel blinden het gezicht terug.
21Ya ayo mismo na ora, janafanjomlo megae ni y manmalango yan y mangaechetnotsija yan espiritun manaelaye; yan megae na manbachet ninafanmanlie.
22Hij gaf hun dus ten antwoord: Gaat en bericht aan Johannes, wat gij gezien en gehoord hebt. Blinden zien en kreupelen gaan, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd.
22Ya maninepe as Jesus ya ilegña nu sija: Janao yan sangane si Juan ni y liniimiyo yan y jiningogmiyo; sa y manbachet manmanlie, ya y mangojo manmamocat, ya y manategtog mangasgas, ya y mananga manmanjungog, y manmatae manafangajulo, ya umapredica y ibangelio gui mamobble.
23Zalig is hij, die zich aan Mij niet ergert.
23Ya dichoso ayo y ti sumosoda y lugat para umatompo guiya guajo.
24Toen de boden van Johannes waren vertrokken, begon Hij tot het volk over Johannes te spreken: Wat zijt gij in de woestijn gaan zien? Een riet, dat door de wind wordt bewogen?
24Ya anae manmapos y mantinago as Juan, jatutujon cumuentuse y taotao sija pot si Juan: Jafa injanagüe jamyo para inlie gui desierto? un piao ni y yinengyong ni y manglo?
25Neen; wat zijt gij gaan zien? Een mens in zachte kleren gedost? Zie, die dure kleren en overvloed hebben, zijn in de paleizen der koningen.
25Lao jafa injanagüe jamyo para inlie? un taotao na puru suabe magaguña? Estagüe, ayo sija y manminagagago ni y malagno magago yan manlalâlâ gui guinatbo, gui palasyon y ray nae mañasaga.
26Wat zijt gij gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, en meer dan een profeet.
26Lao jafa injanagüe para inlie? un profeta? magajet, jusangane jamyo na mas que un profeta.
27Hij is het, van wien geschreven staat: “Zie Ik zend mijn gezant voor U uit, Die U de weg zal bereiden.”
27Este yuje y esta matugue: Estagüe na jatago y tentagojo gui menan matamo, ni para ufamauleg y chalanmo gui menamo.
28Ik zeg u: groter profeet dan Johannes de Doper is er niet onder de kinderen der vrouwen. Toch is de kleinste in het koninkrijk Gods groter dan hij.
28Jusangane jamyo, na entre ayo sija y manmafañago gui famalaoan, taya dangculoña qui si Juan; lao y diquiqueja gui raenon Yuus dangculoña qui güiya.
29Al het volk, zelfs de tollenaars, hebben naar hem geluisterd, en Gods rechtvaardigheid erkend, door het doopsel van Johannes te ontvangen.
29Ya todo y taotao anae majungog güe, yan y publicano sija, jajustifica si Yuus ya manmatagpange ni y tinagpangen Juan.
30Maar de farizeën en de wetgeleerden hebben Gods raadsbesluit over zichzelf verijdeld, door zijn doopsel niet te ontvangen.
30Lao y Fariseo yan y manmagas y lay, jarechasa y consejon Yuus contra sijaja; sa ti manmatagpange pot güiya.
31Waarmee zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken; waaraan zijn ze gelijk?
31Ya ilegña: Jafa nae juacompara y taotao este na generasion? ya jafa parejonñija?
32Ze zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen en zeggen: We hebben voor u op de fluit gespeeld, En gij hebt niet gedanst; We hebben een treurlied gezongen, En gij hebt niet geschreid.
32Manparejo yan y famaguon ni manmatatachong gui plasa ya manaagang uno yan otro ya ilegñija: Indadane jamyo flauta, y ti manbaela jamyo, manuugonge jamyo, ya ti manatanges jamyo.
33Want Johannes de Doper kwam; hij at geen brood en dronk geen wijn, en gij zegt: Hij is van den duivel bezeten.
33Sa mato si Juan Bautista ni uchocho pan ni uguimen bino, ya ilelegmiyo: Guaja anitiña.
34Maar de Mensenzoon kwam; Hij at en dronk, en gij zegt: Zie wat een gulzigaard, wat een wijndrinker, wat een vriend van tollenaars en zondaars.
34Mato y Lajin taotao, ya chumocho yan gumimen, ya ilelegmiyo: Estagüe, un taotao na gachumocho yan gagumimen bino, yan amigon y publicano sija, yan y manisao.
35Maar de wijsheid wordt gerechtvaardigd door al haar kinderen.
35Lao y tiningo manacabales ni y todo famaguonña.
36Een der farizeën verzocht Hem eens bij zich ten eten. Hij ging het huis van den farizeër binnen, en lag aan tafel aan.
36Ya malago uno gui Fariseo sija na ufañija mañocho. Ya jumalom gui guima y Fariseo ya matachong gui lamasa.
37En zie, daar was een vrouw, die in de stad als zondares bekend stond. Toen ze vernam, dat Hij in het huis van den farizeër aan tafel was, ging ze er heen met een albasten kruik vol balsem.
37Ya estagüe, un palaoan gui siuda, na miisao, ya anae jatungo na gaegue si Jesus matatachong gui lamasa gui guima y Fariseo, mañule un boteyan alabastro na ingüente.
38Wenend ging ze achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon zijn voeten met tranen te besproeien, en met het hoofdhaar af te drogen. Dan kuste ze zijn voeten, en zalfde ze met balsem.
38Ya tumojgue gui taten Jesus, ya cumasao; ya jatutujon munafotgon ni lagoña y adeng Jesus, ya jasaosao ni y gapuniluña; ya jachichico y adengña ya japapalae ni y inggüente.
39Toen de farizeër, die Hem genodigd had, dit zag, zeide hij bij zichzelf: Als Hij een profeet was, zou Hij weten, wie en wat voor een vrouw het is, die Hem aanraakt; een zondares!
39Ya anae jalie este y Fariseo ni y umagange güe, cumuentos gui sumanjalomña, ilelegña: Este na taotao yaguin profeta güe, jatungo jafa este na palaoan y pumapacha güe sa güiya miisao.
40Nu nam Jesus het woord en sprak tot hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zeide: Spreek, Meester.
40Ya manope si Jesus ya ilegña nu güiya: Simon, guaja para jasangane jao. Ya güiya ilegña: Sangan Maestro.
41Een geldschieter had twee schuldenaars; de een was hem vijfhonderd tienlingen schuldig, de andere vijftig.
41Un taotao guaja dos dumídibe: ya y uno mandidibe quinientos monedan denario, ya y otro sincuenta.
42Daar ze niet konden betalen, schold hij het beiden kwijt. Wie van de twee zal nu het meest van hem houden?
42Ya anae taya apasñija, inasie todo y dos. Enao mina, jaye guiya sija mas güinaeya?
43Simon antwoordde: Ik vermoed: hij, wien hij het meest heeft kwijtgescholden. Hij zei hem: Ge hebt juist geoordeeld.
43Manope si Simon, ya ilegña: Y pineloco na ayo y mas maasie; ya güiya ilegña: Tunas jinisgamo.
44Nu keerde Hij Zich naar de vrouw, en sprak tot Simon: Ziet ge die vrouw? Ik ben in úw huis gekomen; gij goot geen water op mijn voeten, maar zij heeft mij voeten met haar tranen besproeid en met de haren afgedroogd.
44Ya jabira güe guato gui palaoan, ya ilegña as Simon: Unlilie este na palaoan? Jumalomyo gui guimamo, ti unnaeyo janom para y adengjo; lao este janafotgon y adengjo ni lagoña, ya jasaosao ni y gapuniluña.
45Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar zij heeft, sinds Ik binnenkwam, niet opgehouden, mijn voeten te kussen.
45Jago ti unnaeyo un chico: lao este na palaoan desde que jumalomyo ti pumapara jachico y adengjo.
46Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten met balsem gezalfd.
46Ti unpalae y ilujo ni laña, lao este japalae y adengjom inggüente.
47En daarom zeg Ik u: Haar zonden, haar vele zonden zijn haar vergeven; want zij heeft veel liefde getoond. Wien weinig vergeven wordt, toont weinig liefde.
47Enao mina jusangane jao, na y isaoña, ni y megae, umaasie; sa güiya megae maguaeyaña; lao y didide maasiiña, didide maguaeyaña.
48Nu sprak Hij tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.
48Ya ilegña nu güiya: Y isaomo maasie.
49De disgenoten begonnen bij zichzelf te zeggen: Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?
49Ya y mangachochongña manmatachong gui lamasa, jatutujon sumangan gui sumanjalomñija: Jaye este na ufanasie locue isao?
50Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u gered, ga heen in vrede.
50Ya ilegña ni palaoan: Y jinengguemo unsinatba; janao yan pas.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.