Lucas 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (Thai)
1Toen Hij nu zijn toespraak tot het volk geheel had beëindigd, ging Hij naar Kafárnaum.
1เมื่อพระองค์กล่าวเรื่องทั้งหมดให้ประชาชนฟังจบแล้ว ก็เข้าไปในเมืองคาเปอรนาอุม
2Zeker honderdman nu had een knecht, aan wien hij zeer gehecht was; deze was ziek, en lag op sterven.
2นายร้อยคนหนึ่งมีผู้รับใช้ซึ่งเขารักมาก กำลังป่วยหนักใกล้จะตาย
3Daar hij van Jesus had horen spreken, zond hij joodse ouderlingen naar Hem toe, met het verzoek, om zijn knecht te komen genezen.
3เมื่อนายร้อยได้ยินเรื่องพระเยซู เขาจึงส่งผู้อาวุโสชาวยิวบางคนไปหาพระองค์ เพื่อขอให้พระองค์มาช่วยชีวิตผู้รับใช้ของเขา
4Toen ze bij Jesus waren gekomen, smeekten ze Hem dringend, en zeiden: Hij verdient, dat Gij dit voor hem doet;
4เมื่อพวกเขามาถึงพระเยซู ก็วิงวอนพระองค์อย่างจริงจังว่า “ชายคนนี้สมควรที่ท่านจะช่วยเขา
5want hij is ons volk genegen, en heeft voor ons de synagoge gebouwd.
5เพราะเขารักชนชาติของเรา และเป็นผู้สร้างธรรมศาลาให้เรา”
6Jesus ging dus met hen mee. Toen Hij al dicht bij het huis was gekomen, zond de honderdman vrienden naar Hem toe met de boodschap: Heer, doe geen moeite. Neen, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt.
6พระเยซูจึงไปกับพวกเขา เมื่อพระองค์อยู่ไม่ไกลจากบ้าน นายร้อยก็ส่งเพื่อนมาบอกพระองค์ว่า “องค์พระผู้เป็นเจ้า อย่าลำบากเลย เพราะข้าพเจ้าไม่คู่ควรที่ท่านจะเข้ามาใต้หลังคาบ้านของข้าพเจ้า
7Daarom ook heb ik me zelf niet waardig geacht, om tot U te komen; maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal genezen.
7เพราะเหตุนี้ ข้าพเจ้าจึงไม่คิดว่าตัวเองคู่ควรแม้แต่จะมาหาท่าน แต่ขอเพียงท่านกล่าวคำเดียว ผู้รับใช้ของข้าพเจ้าก็จะหาย
8Want ook ik ben een man, die zelf onder gezag ben gesteld, en soldaten onder me heb. En tot den een zeg ik: Ga, en hij gaat; en tot den ander: Kom, en hij komt; en tot mijn knecht: Doe dit, en hij doet het.
8เพราะข้าพเจ้าเองก็เป็นคนที่อยู่ใต้อำนาจ และมีทหารอยู่ใต้บังคับบัญชา ข้าพเจ้าบอกคนนี้ว่า ‘ไป’ เขาก็ไป บอกอีกคนว่า ‘มา’ เขาก็มา และบอกผู้รับใช้ของข้าพเจ้าว่า ‘ทำสิ่งนี้’ เขาก็ทำ”
9Toen Jesus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem; Hij wendde Zich tot de menigte, die Hem volgde, en sprak: Ik zeg u, zo’n groot geloof heb Ik zelfs in Israël niet gevonden.
9เมื่อพระเยซูได้ยินถ้อยคำเหล่านี้ ก็ประหลาดใจในตัวเขา แล้วหันมากล่าวกับฝูงชนที่ติดตามพระองค์ว่า “เราบอกพวกคุณ แม้แต่ในอิสราเอล เราก็ยังไม่พบความเชื่อมากถึงเพียงนี้”
10En bij hun terugkomst thuis vonden de boden den knecht gezond.
10เมื่อคนที่ถูกส่งไปกลับถึงบ้าน ก็พบว่าผู้รับใช้ที่เคยป่วยนั้นหายดีแล้ว
11Enige tijd later ging Hij naar een stad. Naïn geheten, vergezeld van zijn leerlingen en van een talrijke schare.
11ไม่นานหลังจากนั้น พระองค์ไปยังเมืองหนึ่งชื่อนาอิน สาวกของพระองค์จำนวนมากและฝูงชนกลุ่มใหญ่ไปกับพระองค์
12Juist toen Hij de stadspoort naderde, werd er een dode uitgedragen, de enige zoon van zijn moeder, die weduwe was. Heel veel mensen uit de stad vergezelden haar.
12เมื่อพระองค์เข้าใกล้ประตูเมือง ก็มีคนหามศพออกมา ผู้ตายเป็นบุตรชายคนเดียว ของมารดา และนางเป็นหญิงม่าย มีชาวเมืองจำนวนมากอยู่กับนาง
13Toen de Heer haar zag, had Hij innig medelijden met haar, en zeide tot haar: Ween maar niet.
13เมื่อองค์พระผู้เป็นเจ้าเห็นนาง พระองค์ก็สงสารนาง และกล่าวว่า “อย่าร้องไห้”
14Hij kwam dichterbij, en raakte de baar aan; de dragers bleven staan. En Hij sprak: Jonge man, Ik zeg u: Sta op.
14พระองค์เข้าไปใกล้ และแตะโลงศพ คนหามก็หยุด แล้วพระองค์กล่าวว่า “ชายหนุ่ม เราบอกท่าน จงลุกขึ้น!”
15De dode richtte zich op, en begon te spreken. Zo gaf Hij hem aan zijn moeder terug.
15คนที่ตายแล้วก็ลุกขึ้นนั่ง และเริ่มพูด พระองค์จึงมอบเขาคืนให้มารดา
16Allen werden door vrees bevangen; ze verheerlijkten God en zeiden: Een groot profeet is onder ons opgestaan; en: God heeft zijn volk bezocht!
16ทุกคนเต็มไปด้วยความยำเกรง และยกย่องพระเจ้า โดยกล่าวว่า “ผู้เผยพระวจนะผู้ยิ่งใหญ่ได้ปรากฏขึ้นท่ามกลางพวกเรา!” และ “พระเจ้าได้มาเยี่ยมเยียนประชาชนของพระองค์!”
17En deze roep over Hem ging heel Judea rond, en overal in de omtrek.
17ข่าวเรื่องพระองค์แพร่ไปทั่วแคว้นยูเดียและบริเวณโดยรอบทั้งหมด
18De leerlingen van Johannes gingen hem dit alles vertellen.
18สาวกของยอห์นเล่าเรื่องทั้งหมดนี้ให้เขาฟัง
19Toen riep Johannes twee van zijn leerlingen, en zond hen tot den Heer met de vraag: Zijt Gij het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?
19ยอห์นจึงเรียกสาวกสองคนมา และส่งพวกเขาไปหาพระเยซู เพื่อถามว่า “ท่านคือผู้ที่จะมา หรือพวกเราควรมองหาคนอื่น?”
20De mannen gingen dus naar Hem toe en zeiden: Johannes de Doper heeft ons tot U gezonden met de vraag: Zijt Gij het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?
20เมื่อชายสองคนนั้นมาถึงพระองค์ ก็กล่าวว่า “ยอห์นผู้ทำพิธีบัพติศมาส่งพวกเรามาถามท่านว่า ‘ท่านคือผู้ที่จะมา หรือพวกเราควรมองหาคนอื่น?’”
21Juist op dat ogenblik genas Hij velen van ziekten, kwalen en boze geesten, en schonk Hij veel blinden het gezicht terug.
21ในเวลานั้น พระองค์รักษาคนจำนวนมากจากโรคต่าง ๆ ความเจ็บป่วยร้ายแรง และวิญญาณชั่ว และทำให้คนตาบอดจำนวนมากมองเห็น
22Hij gaf hun dus ten antwoord: Gaat en bericht aan Johannes, wat gij gezien en gehoord hebt. Blinden zien en kreupelen gaan, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd.
22พระเยซูตอบพวกเขาว่า “จงกลับไปบอกยอห์นถึงสิ่งที่พวกคุณได้เห็นและได้ยิน คือ คนตาบอดมองเห็น คนง่อยเดินได้ คนเป็นโรคเรื้อนได้รับการชำระให้สะอาด คนหูหนวกได้ยิน คนตายฟื้นขึ้นจากความตาย และมีการประกาศข่าวดีแก่คนยากจน
23Zalig is hij, die zich aan Mij niet ergert.
23คนที่ไม่สะดุดเพราะเราเป็นสุข”
24Toen de boden van Johannes waren vertrokken, begon Hij tot het volk over Johannes te spreken: Wat zijt gij in de woestijn gaan zien? Een riet, dat door de wind wordt bewogen?
24เมื่อผู้ส่งสารของยอห์นจากไปแล้ว พระองค์เริ่มกล่าวกับฝูงชนถึงยอห์นว่า “พวกคุณออกไปในถิ่นทุรกันดารเพื่อดูอะไร? ต้นอ้อที่ลมพัดไหวหรือ?
25Neen; wat zijt gij gaan zien? Een mens in zachte kleren gedost? Zie, die dure kleren en overvloed hebben, zijn in de paleizen der koningen.
25แล้วพวกคุณออกไปดูอะไร? คนที่สวมเสื้อผ้าเนื้อนุ่มหรือ? คนที่แต่งกายหรูหราและใช้ชีวิตสุขสบายนั้นอยู่ในวังของกษัตริย์
26Wat zijt gij gaan zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, en meer dan een profeet.
26แล้วพวกคุณออกไปดูอะไร? ผู้เผยพระวจนะหรือ? ใช่ เราบอกพวกคุณ และเขายิ่งกว่าผู้เผยพระวจนะเสียอีก
27Hij is het, van wien geschreven staat: “Zie Ik zend mijn gezant voor U uit, Die U de weg zal bereiden.”
27เขาคือผู้ที่มีข้อความเขียนไว้ว่า ‘เราส่งผู้ส่งสารของเราไปต่อหน้าท่าน เขาจะเตรียมทางของท่านไว้ข้างหน้าท่าน’
28Ik zeg u: groter profeet dan Johannes de Doper is er niet onder de kinderen der vrouwen. Toch is de kleinste in het koninkrijk Gods groter dan hij.
28“เราบอกพวกคุณ ในบรรดาคนที่เกิดจากผู้หญิง ไม่มีผู้เผยพระวจนะคนใดยิ่งใหญ่กว่ายอห์นผู้ทำพิธีบัพติศมา แต่ผู้ที่เล็กน้อยที่สุดในอาณาจักรของพระเจ้าก็ยังยิ่งใหญ่กว่าเขา”
29Al het volk, zelfs de tollenaars, hebben naar hem geluisterd, en Gods rechtvaardigheid erkend, door het doopsel van Johannes te ontvangen.
29เมื่อประชาชนทั้งหมดและพวกคนเก็บภาษีได้ยินเช่นนี้ พวกเขายอมรับว่าพระเจ้ายุติธรรม เพราะพวกเขาได้รับบัพติศมาด้วยบัพติศมาของยอห์น
30Maar de farizeën en de wetgeleerden hebben Gods raadsbesluit over zichzelf verijdeld, door zijn doopsel niet te ontvangen.
30แต่พวกฟาริสีและพวกผู้เชี่ยวชาญธรรมบัญญัติปฏิเสธแผนการของพระเจ้าสำหรับตน เพราะพวกเขาไม่ยอมรับบัพติศมาจากยอห์น
31Waarmee zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken; waaraan zijn ze gelijk?
31“ถ้าอย่างนั้น เราจะเปรียบคนในยุคนี้กับอะไร? พวกเขาเหมือนอะไร?
32Ze zijn gelijk aan kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen en zeggen: We hebben voor u op de fluit gespeeld, En gij hebt niet gedanst; We hebben een treurlied gezongen, En gij hebt niet geschreid.
32พวกเขาเหมือนเด็ก ๆ ที่นั่งอยู่ในตลาด และร้องเรียกหากันว่า ‘พวกเราเป่าปี่ให้พวกคุณ แต่พวกคุณไม่เต้น พวกเราร้องเพลงไว้ทุกข์ แต่พวกคุณไม่ร้องไห้’
33Want Johannes de Doper kwam; hij at geen brood en dronk geen wijn, en gij zegt: Hij is van den duivel bezeten.
33เพราะยอห์นผู้ทำพิธีบัพติศมามา โดยไม่กินขนมปังและไม่ดื่มเหล้าองุ่น พวกคุณก็พูดว่า ‘เขามีปีศาจ’
34Maar de Mensenzoon kwam; Hij at en dronk, en gij zegt: Zie wat een gulzigaard, wat een wijndrinker, wat een vriend van tollenaars en zondaars.
34บุตรมนุษย์มา ทั้งกินและดื่ม พวกคุณก็พูดว่า ‘คนนี้เป็นคนตะกละและคนขี้เมา เป็นเพื่อนของคนเก็บภาษีและคนบาป!’
35Maar de wijsheid wordt gerechtvaardigd door al haar kinderen.
35แต่ปัญญาได้รับการพิสูจน์ว่าถูกต้องโดยลูกทุกคนของนาง”
36Een der farizeën verzocht Hem eens bij zich ten eten. Hij ging het huis van den farizeër binnen, en lag aan tafel aan.
36ฟาริสีคนหนึ่งเชิญพระองค์ไปรับประทานอาหารด้วย พระองค์จึงเข้าไปในบ้านของฟาริสีคนนั้น และเอนกายที่โต๊ะอาหาร
37En zie, daar was een vrouw, die in de stad als zondares bekend stond. Toen ze vernam, dat Hij in het huis van den farizeër aan tafel was, ging ze er heen met een albasten kruik vol balsem.
37มีหญิงคนหนึ่งในเมืองนั้นซึ่งเป็นคนบาป เมื่อนางรู้ว่าพระองค์กำลังเอนกายรับประทานอาหารอยู่ในบ้านของฟาริสี นางก็นำขวดหินอะลาบาสเตอร์บรรจุน้ำมันหอมมา
38Wenend ging ze achter Hem staan, bij zijn voeten, en begon zijn voeten met tranen te besproeien, en met het hoofdhaar af te drogen. Dan kuste ze zijn voeten, en zalfde ze met balsem.
38นางยืนร้องไห้อยู่ข้างหลังใกล้เท้าของพระองค์ จนน้ำตาไหลรดเท้าของพระองค์ แล้วใช้ผมของตนเช็ด จูบเท้าของพระองค์ และชโลมด้วยน้ำมันหอม
39Toen de farizeër, die Hem genodigd had, dit zag, zeide hij bij zichzelf: Als Hij een profeet was, zou Hij weten, wie en wat voor een vrouw het is, die Hem aanraakt; een zondares!
39เมื่อฟาริสีที่เชิญพระองค์มาเห็นดังนั้น ก็คิดในใจว่า “ถ้าคนนี้เป็นผู้เผยพระวจนะ เขาคงรู้ว่าหญิงที่แตะต้องเขาเป็นใคร และเป็นหญิงเช่นไร คือเป็นคนบาป”
40Nu nam Jesus het woord en sprak tot hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zeide: Spreek, Meester.
40พระเยซูตอบเขาว่า “ซีโมน เรามีเรื่องจะบอกท่าน” เขาตอบว่า “อาจารย์ เชิญพูดเถิด”
41Een geldschieter had twee schuldenaars; de een was hem vijfhonderd tienlingen schuldig, de andere vijftig.
41“เจ้าหนี้คนหนึ่งมีลูกหนี้สองคน คนหนึ่งเป็นหนี้ห้าร้อยเดนาริอุส อีกคนหนึ่งห้าสิบ
42Daar ze niet konden betalen, schold hij het beiden kwijt. Wie van de twee zal nu het meest van hem houden?
42เมื่อทั้งสองไม่มีเงินใช้หนี้ เจ้าหนี้ก็ยกหนี้ให้ทั้งคู่ เพราะฉะนั้น ในสองคนนี้ ใครจะรักเจ้าหนี้มากกว่า?”
43Simon antwoordde: Ik vermoed: hij, wien hij het meest heeft kwijtgescholden. Hij zei hem: Ge hebt juist geoordeeld.
43ซีโมนตอบว่า “ข้าพเจ้าคิดว่า คนที่เขายกหนี้ให้มากกว่า” พระองค์กล่าวกับเขาว่า “ท่านตัดสินถูกต้อง”
44Nu keerde Hij Zich naar de vrouw, en sprak tot Simon: Ziet ge die vrouw? Ik ben in úw huis gekomen; gij goot geen water op mijn voeten, maar zij heeft mij voeten met haar tranen besproeid en met de haren afgedroogd.
44แล้วพระองค์หันไปทางหญิงนั้น และกล่าวกับซีโมนว่า “ท่านเห็นหญิงคนนี้ไหม? เราเข้ามาในบ้านของท่าน ท่านไม่ได้ให้น้ำล้างเท้าเรา แต่นางทำให้เท้าของเราเปียกด้วยน้ำตา และเช็ดด้วยผมของนาง
45Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar zij heeft, sinds Ik binnenkwam, niet opgehouden, mijn voeten te kussen.
45ท่านไม่ได้จูบต้อนรับเรา แต่ตั้งแต่เราเข้ามา นางไม่หยุดจูบเท้าของเรา
46Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten met balsem gezalfd.
46ท่านไม่ได้ชโลมศีรษะของเราด้วยน้ำมัน แต่นางชโลมเท้าของเราด้วยน้ำมันหอม
47En daarom zeg Ik u: Haar zonden, haar vele zonden zijn haar vergeven; want zij heeft veel liefde getoond. Wien weinig vergeven wordt, toont weinig liefde.
47เพราะฉะนั้น เราบอกท่าน บาปมากมายของนางได้รับการยกโทษ เพราะนางรักมาก แต่คนที่ได้รับการยกโทษน้อย ก็รักน้อย”
48Nu sprak Hij tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.
48พระองค์กล่าวกับหญิงนั้นว่า “บาปของท่านได้รับการยกโทษแล้ว”
49De disgenoten begonnen bij zichzelf te zeggen: Wie is Hij, dat Hij zelfs zonden vergeeft?
49คนที่ร่วมโต๊ะกับพระองค์เริ่มพูดกันในใจว่า “คนนี้เป็นใคร ถึงกับยกโทษบาปได้?”
50Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u gered, ga heen in vrede.
50พระองค์กล่าวกับหญิงนั้นว่า “ความเชื่อของท่านช่วยท่านให้รอดแล้ว จงไปอย่างสงบ”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.