Deuteronomium 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (Thai)
1Dit zijn de woorden, die Moses tot heel Israël heeft gesproken in het Overjordaanse, in de woestijn, in de Araba tegenover de Rode Zee, tussen Paran en Tófel, Laban, Chaserot en Di-Zahab,
1ต่อไปนี้คือถ้อยคำที่โมเสสกล่าวกับชาวอิสราเอลทั้งหมด ณ ฟากแม่น้ำจอร์แดนในถิ่นทุรกันดาร ในอาราบาห์ตรงข้ามสูฟ ระหว่างปาราน โทเฟล ลาบาน ฮาเซโรท และดิซาฮับ
2gedurende de elf dagreizen van de Horeb in de richting van het gebergte Seïr tot aan Kadesj-Barnéa.
2จากโฮเรบไปคาเดชบารเนียตามทางภูเขาเสอีร์ ใช้เวลาเดินทางสิบเอ็ดวัน
3In het veertigste jaar, op de eerste van de elfde maand, bracht Moses de Israëlieten nauwgezet alles over, wat hem door Jahweh aangaande hen was opgedragen.
3ในปีที่สี่สิบ เดือนที่สิบเอ็ด วันที่หนึ่งของเดือน โมเสสกล่าวแก่ชาวอิสราเอลตามทุกสิ่งที่พระยาห์เวห์ ทรงบัญชาเขาให้บอกพวกเขา
4Nadat hij dus Sichon, den koning der Amorieten, die in Chesjbon, en Og, den koning van Basjan, die in Asjtarot en in Edréi woonde, had verslagen,
4หลังจากโมเสสปราบสิโหนกษัตริย์ของชาวอาโมไรต์ผู้อาศัยอยู่ในเฮชโบน และโอกกษัตริย์แห่งบาชานผู้อาศัยอยู่ในอัชทาโรทที่เอเดรอี
5ging Moses er toe over in het Overjordaanse, in het land van Moab, de volgende wet af te kondigen. Hij sprak:
5ณ ฟากแม่น้ำจอร์แดน ในแผ่นดินโมอับ โมเสสเริ่มอธิบายกฎบัญญัตินี้ว่า
6Jahweh, onze God, sprak tot ons bij de Horeb: Lang genoeg hebt ge nu bij deze berg vertoefd.
6“พระยาห์เวห์พระเจ้าของเรา ตรัสกับเราที่โฮเรบว่า ‘พวกคุณอยู่ที่ภูเขานี้มานานพอแล้ว
7Breekt op, begeeft u op weg en trekt naar de bergen der Amorieten, en naar al hun naburen in de Araba, het bergland, het heuvelland, de Négeb en langs de zeekust; naar het land der Kanaänieten en het Libanon-gebergte tot aan de grote rivier, de Eufraat.
7จงหันกลับและออกเดินทางไปยังเขตภูเขาของชาวอาโมไรต์และดินแดนใกล้เคียงทั้งหมด ทั้งอาราบาห์ เขตภูเขา ที่ราบเชิงเขา แดนใต้ ชายทะเล แผ่นดินของชาวคานาอัน และเลบานอน ไปจนถึงแม่น้ำใหญ่คือแม่น้ำยูเฟรติส
8Ziet, Ik stel het hele land voor u open! Gaat en neemt het land in bezit, dat Jahweh onder ede heeft beloofd aan uw vaderen te geven, aan Abraham, Isaäk en Jakob en aan hun nageslacht.
8ดูเถิด เราได้มอบแผ่นดินนี้ให้พวกคุณแล้ว จงเข้าไปครอบครองแผ่นดินที่พระยาห์เวห์ทรงปฏิญาณไว้กับบรรพบุรุษของพวกคุณ คืออับราฮัม อิสอัค และยาโคบ ว่าจะประทานแก่พวกเขาและเชื้อสาย ของพวกเขาภายหลัง’”
9In die tijd sprak ik tot u: Ik alleen kan de zorg voor u niet langer meer dragen.
9ในเวลานั้นผมบอกพวกคุณว่า “ผมคนเดียวรับภาระดูแลพวกคุณไม่ไหว
10Jahweh, uw God, heeft u zo talrijk gemaakt, dat ge nu reeds het getal van de sterren aan de hemel nabij komt;
10พระยาห์เวห์พระเจ้าของพวกคุณทรงทำให้มีจำนวนเพิ่มขึ้น จนวันนี้พวกคุณมีมากมายเหมือนดวงดาวบนท้องฟ้า
11en Jahweh, de God uwer vaderen, moge u nog duizendmaal talrijker maken en u zegenen, zoals Hij het u heeft beloofd.
11ขอพระยาห์เวห์ พระเจ้าของบรรพบุรุษของพวกคุณ ทรงเพิ่มจำนวนอีกพันเท่าและอวยพรตามที่พระองค์ทรงสัญญาไว้
12Maar hoe zal ik dan alleen uw moeilijkheden, lasten en twisten kunnen torsen?
12แต่ผมคนเดียวจะรับทั้งปัญหา ภาระ และข้อพิพาทของพวกคุณได้อย่างไร
13Wijst uit elk uwer stammen wijze, verstandige en ervaren mannen aan, dan zal ik ze als uw hoofdmannen aanstellen.
13จงเลือกคนที่มีปัญญา มีความเข้าใจ และเป็นที่ยอมรับจากแต่ละเผ่า แล้วผมจะตั้งพวกเขาเป็นผู้นำ”
14Gij hebt mij geantwoord: Wat gij voorslaat is goed.
14พวกคุณตอบผมว่า “สิ่งที่ท่านพูดให้เราทำนั้นดี”
15Toen heb ik uit uw midden wijze en ervaren mannen gekozen, en ze als hoofdmannen over u aangesteld, als aanvoerders over duizend, honderd, vijftig en tien, en als leiders over uw stammen.
15ผมจึงนำบรรดาผู้นำเผ่าของพวกคุณ ซึ่งเป็นคนมีปัญญาและเป็นที่ยอมรับ มาตั้งให้เป็นผู้นำ คือหัวหน้าพัน หัวหน้าร้อย หัวหน้าห้าสิบ หัวหน้าสิบ และเจ้าหน้าที่ประจำเผ่าต่าง ๆ
16Ik heb toen uw rechters geboden: Hoort beide partijen van uw broeders aan, en beslecht rechtvaardig het geschil, dat iemand heeft met zijn broeder of met den vreemdeling, die bij hem woont.
16ในเวลานั้นผมกำชับผู้พิพากษาว่า “จงรับฟังคดีระหว่างพี่น้อง แล้วตัดสินอย่างยุติธรรม ไม่ว่าจะเป็นคดีระหว่างคนหนึ่งกับพี่น้องของเขา หรือกับคนต่างถิ่นที่อาศัยอยู่กับเขา
17Gij moogt geen aanzien des persoons bij de rechtspraak doen gelden; naar den geringe moet ge evengoed horen als naar den grote, en voor niemand bevreesd zijn; want rechtspreken is iets goddelijks. En wat te moeilijk voor u is, brengt dat voor mij, en ik zal het aanhoren.
17เวลาตัดสินอย่าลำเอียง จงรับฟังทั้งคนเล็กคนน้อยและคนใหญ่คนโตอย่างเท่าเทียม อย่ากลัวมนุษย์ เพราะการพิพากษาเป็นของพระเจ้า ส่วนคดีใดที่ยากเกินจะตัดสิน ให้นำมาหาผม แล้วผมจะรับฟัง”
18Zo heb ik u toen alles geboden, wat ge moest doen.
18เวลานั้นผมได้สั่งทุกอย่างที่ต้องทำไว้แล้ว
19Toen wij van de Horeb waren opgebroken, trokken wij door heel die grote en vreselijke woestijn, die gij hebt gezien, in de richting van het gebergte der Amorieten, zoals Jahweh, onze God, het ons had bevolen, en bereikten zo Kadesj-Barnéa.
19จากนั้นเราออกจากโฮเรบ เดินผ่านถิ่นทุรกันดารอันกว้างใหญ่และน่ากลัวที่พวกคุณเห็น ไปตามทางสู่เขตภูเขาของชาวอาโมไรต์ ตามที่พระยาห์เวห์พระเจ้าของเราทรงบัญชา จนมาถึงคาเดชบารเนีย
20Hier sprak ik tot u: Gij zijt nu aan het bergland der Amorieten gekomen, dat Jahweh, onze God, ons wil geven.
20ผมบอกพวกคุณว่า “พวกคุณมาถึงเขตภูเขาของชาวอาโมไรต์แล้ว ซึ่งพระยาห์เวห์พระเจ้าของเรากำลังประทานแก่เรา
21Zie, Jahweh, uw God, heeft het land voor u opengesteld! Trek op, neem het in bezit, zoals Jahweh, de God uwer vaderen, het u heeft bevolen; vrees niet en wees maar niet bang.
21ดูสิ พระยาห์เวห์พระเจ้าของพวกคุณทรงมอบแผ่นดินนี้ให้พวกคุณแล้ว จงขึ้นไปเข้าครอบครองตามที่พระยาห์เวห์ พระเจ้าของบรรพบุรุษของพวกคุณ ตรัสไว้ อย่ากลัวและอย่าท้อใจ”
22Toen zijt gij allen op mij toegetreden, en hebt gezegd: Laten we mannen voor ons uitzenden, om voor ons het land te verkennen, en ons verslag uit te brengen over de weg, die we moeten nemen, en over de steden, die we zullen ontmoeten.
22แล้วทุกคนเข้ามาหาผมและพูดว่า “ให้เราส่งคนล่วงหน้าไปสำรวจแผ่นดิน เขาจะได้กลับมาบอกเราว่าควรขึ้นไปทางไหน และจะพบเมืองอะไรบ้าง”
23Ik keurde dat goed, en koos twaalf mannen onder u uit, uit iedere stam één.
23ผมเห็นว่าความคิดนี้ดี จึงเลือกสิบสองคนจากพวกคุณ เผ่าละหนึ่งคน
24Zij gingen op weg, bestegen het gebergte, en drongen door tot de Esjkol-vallei, die zij verkenden.
24พวกเขาออกเดินทางขึ้นไปยังเขตภูเขา มาถึงหุบเขาเอชโคล และสำรวจแผ่นดินนั้น
25Zij namen wat vruchten van het land met zich mee, en brachten ze ons. Zij brachten ons tevens verslag uit, en zeiden: Het land, dat Jahweh, onze God, ons wil geven, is goed.
25พวกเขานำผลไม้จากแผ่นดินนั้นติดมือกลับลงมาหาเรา พร้อมรายงานว่า “แผ่นดินที่พระยาห์เวห์พระเจ้าของเรากำลังประทานแก่เรานั้นเป็นแผ่นดินที่ดี”
26Maar gij hebt geweigerd op te trekken, en weerspannig tegen het bevel van Jahweh, uw God,
26แต่พวกคุณไม่ยอมขึ้นไป กลับกบฏต่อพระบัญชาของพระยาห์เวห์พระเจ้าของพวกคุณ
27hebt gij morrend in uw tenten gezegd: Omdat Jahweh ons haat, heeft Hij ons uit het land van Egypte gevoerd, om ons in de handen der Amorieten te leveren en ons te verdelgen.
27พวกคุณบ่นอยู่ในเต็นท์ว่า “พระยาห์เวห์ทรงเกลียดเรา จึงพาเราออกจากแผ่นดินอียิปต์เพื่อมอบเราไว้ในมือชาวอาโมไรต์ให้พวกเขาทำลาย
28Waarheen trekken we nu? Onze broeders hebben ons de moed benomen; ze hebben gezegd: Het volk is groter en krachtiger dan wij; de steden zijn groot en met muren tot de hemel; zelfs Anakskinderen zagen we daar.
28เราจะขึ้นไปไหนกัน? พี่น้องของเราทำให้เราใจฝ่อไปหมดแล้ว เพราะพวกเขาบอกว่า ‘คนที่นั่นตัวใหญ่และสูงกว่าเรา เมืองต่าง ๆ ใหญ่โตและมีกำแพงแข็งแรงสูงเสียดฟ้า เรายังเห็นลูกหลานของอานาคอยู่ที่นั่นด้วย!’”
29Ik sprak tot u: Vreest niet, en weest maar niet bang voor hen!
29แล้วผมบอกว่า “อย่าหวาดกลัว อย่ากลัวพวกเขา
30Jahweh, uw God, die aan uw spits gaat, zal voor u strijden: juist zoals Hij voor uw ogen in Egypte voor u heeft gedaan,
30พระยาห์เวห์พระเจ้าของพวกคุณ ผู้เสด็จนำหน้า จะทรงต่อสู้เพื่อพวกคุณ เหมือนที่พระองค์ทรงทำเพื่อพวกคุณในอียิปต์ต่อหน้าต่อตาพวกคุณ
31en in de woestijn, die gij hebt gezien, waar Jahweh, uw God, u heel de weg, die gij zijt gegaan, heeft gedragen, zoals iemand zijn kind draagt, totdat gij deze plaats hebt bereikt.
31และในถิ่นทุรกันดาร พวกคุณได้เห็นแล้วว่าพระยาห์เวห์พระเจ้าของพวกคุณทรงอุ้มชูตลอดทางที่เดินมา เหมือนพ่ออุ้มลูกชาย จนมาถึงที่นี่”
32Ondanks dit alles hebt gij toen niet willen geloven in Jahweh, uw God,
32ถึงอย่างนั้น ในเรื่องนี้ก็ยังไม่วางใจพระยาห์เวห์พระเจ้าของพวกคุณ
33die onderweg aan uw spits trok, om een legerplaats voor u te zoeken, in vuur des nachts en in een wolk overdag, opdat gij zoudt kunnen zien op de weg, die gij gaan moest.
33ผู้เสด็จนำหน้าไปตามทาง เพื่อหาที่ให้ตั้งค่าย กลางคืนทรงนำด้วยไฟเพื่อชี้ทางที่จะเดิน และกลางวันทรงนำด้วยเมฆ
34Toen Jahweh uw woorden hoorde, werd Hij vergramd, en zwoer:
34เมื่อพระยาห์เวห์ทรงได้ยินคำที่พวกคุณพูด พระองค์ทรงกริ้วและปฏิญาณว่า
35Niemand van deze mannen, niemand van dit boos geslacht, zal het heerlijke land zien, dat Ik onder ede aan uw vaderen beloofd heb te geven;
35“ไม่มีใครจากคนชั่วรุ่นนี้แม้แต่คนเดียวจะได้เห็นแผ่นดินอันดีที่เราปฏิญาณว่าจะประทานแก่บรรพบุรุษของพวกคุณ
36alleen Kaleb, de zoon van Jefoenne, zal het aanschouwen; hem en zijn zonen zal Ik het land geven, waar hij is binnengetrokken, omdat hij Jahweh trouw is gebleven,
36เว้นแต่คาเลบบุตรเยฟุนเนห์ เขาจะได้เห็น เราจะมอบแผ่นดินที่เขาเหยียบย่างให้เขาและลูกหลาน เพราะเขาติดตามพระยาห์เวห์อย่างสุดใจ”
37Ook op mij werd Jahweh vergramd om wille van u, en Hij sprak: Ook gij zult daar niet binnengaan,
37พระยาห์เวห์ยังทรงกริ้วผมเพราะพวกคุณด้วย ตรัสว่า “เจ้าก็จะไม่ได้เข้าไปที่นั่นเช่นกัน
38maar wel uw dienaar Josuë, de zoon van Noen. Spreek hem dus moed in, want hij zal Israël in het bezit ervan stellen.
38โยชูวาบุตรนูน ผู้คอยรับใช้เจ้า จะเข้าไป จงให้กำลังใจเขา เพราะเขาจะนำอิสราเอลเข้ารับแผ่นดินนั้นเป็นมรดก
39Ook uw kleine kinderen, van wie ge gezegd hebt, dat zij een buit zouden worden en uw zonen, die thans nog geen goed van kwaad kunnen onderscheiden, zij zullen daar binnengaan; hun zal Ik het geven, en zij zullen het bezitten.
39ส่วนเด็กเล็กของพวกคุณ ซึ่งพวกคุณเคยบอกว่าจะถูกจับเป็นเชลยหรือถูกฆ่า—คือลูก ๆ ที่วันนี้ยังไม่รู้จักดีชั่ว—พวกเขาจะได้เข้าไป เราจะมอบแผ่นดินนั้นให้ และพวกเขาจะครอบครองมัน
40Trekt zelf weer de woestijn in, in de richting van de Rode Zee!
40แต่พวกคุณ จงหันกลับออกเดินทางเข้าสู่ถิ่นทุรกันดารตามทางไปทะเลแดง”
41Toen hebt gij mij geantwoord: Wij hebben tegen Jahweh gezondigd, maar wij trekken nu op ten strijde, juist zoals Jahweh, onze God, het ons heeft bevolen. En gij hebt allen uw wapenen aangegord, om roekeloos het gebergte te beklimmen.
41แล้วพวกคุณตอบผมว่า “เราทำบาปต่อพระยาห์เวห์แล้ว เราจะขึ้นไปสู้รบตามทุกอย่างที่พระยาห์เวห์พระเจ้าของเราทรงบัญชา” แล้วทุกคนก็ติดอาวุธและดื้อดึงขึ้นไปยังเขตภูเขา
42Maar Jahweh sprak tot mij: Zeg hun: Gij zult niet ten strijde trekken, want Ik ben niet in uw midden; anders zult ge door uw vijanden worden verslagen.
42แต่พระยาห์เวห์ตรัสกับผมว่า “บอกพวกเขาว่า ‘อย่าขึ้นไป อย่าสู้รบ เพราะเราไม่ได้อยู่ท่ามกลางพวกคุณ ไม่อย่างนั้นจะพ่ายแพ้ต่อหน้าศัตรู’”
43Ik deelde het u mee, maar gij hebt niet geluisterd; ge hebt u tegen het bevel van Jahweh verzet, en het toch durven wagen, het gebergte te beklimmen.
43ผมจึงบอกแล้ว แต่พวกคุณไม่ฟัง กลับกบฏต่อพระบัญชาของพระยาห์เวห์ อวดดีและขึ้นไปยังเขตภูเขา
44Maar de Amorieten, die in het gebergte woonden, trokken tegen u op, achtervolgden u als een bijenzwerm, en joegen u in Seïr uiteen tot Chorma toe.
44ชาวอาโมไรต์ที่อาศัยอยู่ในเขตภูเขานั้นออกมาสู้ ไล่ตามพวกคุณเหมือนฝูงผึ้ง และตีจนแตกพ่ายในเสอีร์ไปจนถึงโฮรมาห์
45En toen gij terugkwaamt, hebt ge wel voor het aanschijn van Jahweh geweend, maar Jahweh heeft naar uw kermen niet geluisterd, en u niet willen verhoren.
45พวกคุณกลับมาร้องไห้ต่อหน้าพระยาห์เวห์ แต่พระยาห์เวห์ไม่ทรงฟังเสียงหรือหันมาฟัง
46En ge moest in Kadesj blijven al de lange tijd, dat ge daar hebt gewoond.
46พวกคุณจึงพักอยู่ที่คาเดชอีกเป็นเวลานาน
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.