Lucas 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Daarna ging Hij rond door steden en dorpen, om te preken en het koninkrijk Gods te verkondigen. Hij was vergezeld van het twaalftal,
1YA susede un rato despues na jajanaogüe y siuda sija yan y sengsong sija manpredidica, yan numanafanungo nu y ibangelion y raenon Yuus; ya mañisija yan y dose,
2en van enige vrouwen, die van boze geesten en ziekten waren verlost: Maria, Magdalena geheten, uit wie zeven duivels waren uitgegaan.
2Ya palo sija famalaoan ni guinin nanafanmagong ni manaelayen espiritu yan y chetnot sija; si Maria ni mafanaan magdalena ni jumuyong guiya güiya siete na manganite,
3Johanna, de vrouw van Choesa, den hofmeester van Herodes. Susanna en vele anderen, die hun met haar vermogen ten dienste stonden.
3Ya si Juana, asaguan Chusa, mayetdomon Herodes; yan si Susana yan megae ni pumalo ni jasesetbe ni güinajañija:
4Toen er eens een grote menigte bijeen was, daar men uit alle steden naar Hem was toegestroomd, sprak Hij in een gelijkenis:
4Ya anae mandaña y dangculon linajyan taotao, yan y manestaba cada siuda manmato guiya güiya, jacuentuse pot un acomparasion.
5De zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; het werd vertrapt, en de vogels uit de lucht pikten het op.
5Un tátanom jumanao para ufananom y semiyaña; ya anae manmananom, palo podong gui oriyan chalan; ya todo magacha, ya manmato sija y pajaro gui langet ya macano.
6Een ander gedeelte viel op de rots: even kwam het op, maar verdorde, omdat het geen vocht had.
6Yan palo mamodong gui jilo acho; ya anae lachog, ninamalayo sa ti fofotgon.
7Een ander gedeelte viel tussen de doornen; en de doornen schoten mede op, en verstikten het.
7Yan palo mamodong gui jalom tituca; ya mandoco mañija y tituca, ya chiniguit.
8Een ander gedeelte viel op de goede aarde; het schoot op, en droeg honderdvoudige vrucht. Na deze woorden riep Hij uit: Wie oren heeft om te horen, hij hore.
8Yan palo mamodong gui mauleg y tano; ya mandoco, ya manogcha siento pot uno. Ya anae esta jasangan estesija umagang: Y gaetalanga para ufanjungog, uecungog.
9Zijn leerlingen vroegen Hem naar de zin der gelijkenis.
9Ya y disipuluña sija mafaesen güe: Jafa este na acomparasion?
10Hij sprak: U is het gegeven, de geheimen te kennen van het koninkrijk Gods, maar tot de overigen wordt in parabels gesproken; opdat ze zouden zien en niet inzien, zouden horen en niet verstaan.
10Ya guiya ilegña: Esta manmannae jamyo para intingo y misterion y raenon Yuus lao y pumalo pot acomparasion; para ujaaatanja ya ti ujalie, yan ujaecungogja ya ti ujatungo.
11Dit is de zin der gelijkenis: Het zaad is Gods woord.
11Pues este ayo na acomparasion: Y semiya y sinangan Yuus.
12Het zaad langs de weg zijn zij, die het woord wel horen; maar dan komt de duivel en neemt het weg uit hun hart, opdat ze niet zouden geloven en worden gered.
12Y gui oriyan chalan ayo sija y jagas jumungog; ya despues mato y manganite ya janasuja y sinangan gui corasonñija sa ti mojon ufanmanjonggue ya ufanmasatba.
13Het zaad op de rots zijn zij, die het woord met vreugde aanvaarden, zodra ze het horen, maar die geen wortel hebben geschoten; een tijd lang geloven ze wel, maar in de tijd der beproeving vallen ze af.
13Ya y jilo acho, ayo sija y anae jajungog, jaresibe y sinangan nu y minagof; lao estesija manaejale; sa jajonggue un ratoja, lao anae mato tentasion mamodong.
14Het zaad, dat tussen de doornen valt, zijn zij, die wel hebben geluisterd, maar die gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven zich laten verstikken en nooit tot rijpheid komen.
14Ya y pedong gui jalom tituca, este sija y jumungog; ya mientras jumanao gui chalanñija, manchiniguit ni inadajeñiñija, yan y güinaja, yan y minagof tano gui este linâlâ, ya ti jumuyong tinegchañija cabales.
15Maar het zaad, dat in de goede aarde valt, zijn zij, die met een goed en edel hart het woord vernemen, het aanvaarden, en het vrucht doen dragen door te volharden.
15Lao ayo y mangaegue gui mauleg na tano, este sija na guinin jumungog y sinangan gui corason ni mauleg yan tunas, jamantietiene, ya manogcha yan manpasensia.
16Niemand steekt een lamp aan, en verbergt ze onder een bak, of zet ze onder een bed; maar hij plaatst ze op de kandelaar, opdat wie binnenkomt, het licht kan zien.
16Ni uno ni mañoñonggue candet, utampe nu y batde pat upolo gui papa catre, lao upolo gui jilo lamasa para y jumajalom ulie y manana.
17Want niets is verborgen, of het zal worden geopenbaard; en niets is geheim, of het wordt bekend en het komt aan het licht.
17Sa taya manaatog ya ti umafatanñaejon; ni gae gui secreto ya ti umatungo, ujuyong gui manana.
18Let er dus op, hoe gij luistert. Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden, wat hij meent te bezitten.
18Guesadaje jaftaemano y jiningogmiyo: sa masquesea jaye y guaja, umanae; lao masquesea jaye y taya, unajanao ayo y pineloña na uguaja.
19Nu kwamen zijn moeder en broeders naar Hem toe, maar door de menigte konden ze Hem niet bereiken.
19Ayonae manmato guiya güiya si nanaña yan y mañeluña, lao tisiña manlatguato guiya güiya pot y linajyan taotao.
20Men boodschapte Hem: Uw moeder en broeders staan buiten en willen U zien.
20Ya masangane, ilegñija nu güiya: Si nanamo yan y mañelumo manmatotojgue gui sanjiyong na manmalago na unmalie.
21Maar Hij gaf ten antwoord: Mijn moeder en broeders zijn zij, die het woord Gods horen, en er naar handelen.
21Ya manope ya ilegña nu sija: Y nanajo yan y mañelujo, ayosija y jumungog y sinangan Yuus ya jafatinas.
22Op zekere dag ging Hij met zijn leerlingen in een boot, en zeide tot hen: Laten we oversteken naar de andere kant van het meer. Ze staken van wal;
22Ya susede y uno gui ayosija jaane nae, na jumalom gui un batco, güiya yan y disipoluña sija; ya ilegña nu sija: Nije tafanjanao y otro banda jagoe; ya manjanao.
23en onder de vaart sliep Hij in. Maar een hevige storm brak los op het meer: ze kregen water binnen en liepen gevaar.
23Ya anae mumamayama sija, güiya maego; ya manguaefe un dangculon, pagyo y manglo gui jagoe; ya bula y batco janom ya mangaegue sija gui peligro.
24Ze gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, we vergaan. Toen stond Hij op, en gebood aan de wind en de golven; ze bedaarden, en het werd stil.
24Ya manmato guiya güiya, ya mapangon, ilegñija: Maestro, maestro, tafanmalingo. Ya magmata, ya jalalatde y manglo yan y chaochao y janom; ya pumara, ya jumuyong malinao.
25Maar tot hen zeide Hij: Waar is uw geloof? Met angstige verbazing zeiden ze tot elkander: Wie is Hij toch, dat Hij zelfs de winden gebiedt en het water, en dat ze Hem gehoorzamen?
25Ya ilegña nu sija: Mano nae gaegue jinengguenmiyo? Ya sija manmaañao ya ninafanmanman, ilegñija uno yan otro: Jaye este, na asta y manglo yan y janom jatago ya maoosgueja?
26Ze legden aan in het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
26Ya manmato asta, y tano y taotao Gadara sija, ni gaegue gui sanmenan y Galilea.
27Zodra Hij aan wal was gestapt, kwam Hem uit de stad een man tegemoet, die door duivels was bezeten. Sinds lang droeg hij geen kleren meer, en verbleef niet in huis, maar in de grafspelonken.
27Ya anae jumanao para y tano, umasoda yan un taotao gui jiyong y siuda na gaemanganite; ya apmam na tiempo ti minagagago ni usaga gui guima, na y naftanja.
28Toen hij Jesus zag, viel hij gillend voor Hem neer, en schreeuwde het uit: Wat hebt Gij met ons te maken. Jesus, Zoon van den allerhoogsten God? Ik bid U, mij niet te gaan kwellen.
28Ya anae jalie si Jesus, umagang, ya jatombagüe gui menaña ya ilegña ni dangculo na inagang: Para jafayo nu jago Jesus, Lajin Yuus Gueftaquilo? Jusuplica jao na chamoyo sumasapet.
29Want Hij had den onreinen geest geboden, den man te verlaten. Reeds dikwijls toch had hij zich van hem meester gemaakt. Dan had men hem met ketens en voetboeien gebonden, om hem vast te houden; maar hij had de boeien stuk gebroken, en was door den duivel naar eenzame plaatsen gejaagd.
29Sa jatago y espiritun áplacha na ufanjanao gui taotao; sa apmam na tiempo na maguot güe: mamantiene güe preso ya magode nu y cadena yan tale sija; ya jayamag y guinede ya quinene ni y manganite asta y desierto sija.
30Jesus vroeg hem: Hoe is uw naam? Hij zei: Legioen. Want vele duivels waren in hem gevaren.
30Ya finaesen as Jesus: Jaye naanmo? Ya güiya ilegña: Linajyan; sa megae na manganite manjalom guiya güiya.
31Ze verzochten Hem dringend, hun niet te gelasten, naar de afgrond te gaan.
31Ya masuplica güe na chaña tumatago na ufanjanao para y tadong na joyo.
32Nu liep daar op de berg een grote troep zwijnen te grazen. Ze verzochten Hem, hun toe te staan, in die zwijnen te varen. Hij stond het hun toe.
32Ya estaba güije un inetnon babue na lajyan na mañochocho gui jalom tano: ya masuplica güe na ufanpinelo ya ufanjalom güije sija. Ya manpinelo.
33Toen gingen de duivels uit van den mens, en wierpen zich op de zwijnen; en de troep plofte van de steilte in het meer, en verdronk.
33Ya anae manjuyong y manganite gui taotao, manjalom gui babue ya y inetnon manmanunugo sajyao guato gui un didog gui jagoe ya manmatmos.
34Toen de drijvers zagen, wat er gebeurde, vluchtten ze heen, en vertelden het in stad en land.
34Ya ayo sija munafañochocho y babue anae jalie y mafatinas, manmapos ya jasangane y taotao siuda yan gui fangualuan.
35Men kwam dus zien, wat er gebeurd was. Toen ze nu bij Jesus kwamen, en den man, uit wien de duivels waren uitgegaan, gekleed en goed bij verstand aan Jesus’ voeten vonden zitten, werden ze bang.
35Ya manjanao para ujalie y mafatinas; ya manmato gui as Jesus; ya masoda y taotao ni anae guinin jumuyong y manganite, na minagagago ya guaja jinasoña cabales, ya matatachong gui adeng Jesus; ya ninafanmaañao.
36Nu verhaalden nog de ooggetuigen, hoe de bezetene was verlost.
36Ya mansinangane ni lumie, jafa taemano manamagongña ayo y guinin jinatme manganite.
37Toen verzocht Hem de hele bevolking van het gebied der Gerasenen, om van hen heen te gaan; want een ontzettende vrees greep hen aan. Nu ging Hij weer in de boot, om terug te keren;
37Ayonae todo y taotao gui tano y Gadarenos yan todo y oriyan, magagao na ujanao guiya sija; sa mansenmaañao; ya güiya cajulo gui batco ya tumalo tate.
38en de man, uit wien de duivels waren uitgegaan, vroeg Hem verlof, om bij Hem te blijven. Maar Hij zond hem heen, en zeide:
38Lao ayo na taotao anae guinun manjuyong y manganite, siniplica güe para usaga guiya güiya; lao janajanao ya ilegña:
39Ga naar huis, en verhaal al wat God u gedaan heeft. Hij ging heen, en vertelde heel de stad door, wat Jesus hem had gedaan.
39Talo guato guiya jamyo ya unfañangane jaftaemano na dangculon güinaja finatinasña si Yuus nu jago. Ya guiña jumanao, ya jasanganñaejon todo gui siuda jaftaemano finatinasña si Jesus nu güiya.
40Bij Jesus’ terugkeer kwam Hem de schare begroeten; ze stonden allen op Hem te wachten.
40Ya anae tumalo guato si Jesus maresibe ni y linajyan taotao sija ya mangosmagof; sa todoja numananggaja.
41En zie, daar naderde een man, Jaïrus genaamd, die overste van de synagoge was. Hij viel voor Jesus’ voeten neer, en verzocht Hem, mee naar zijn huis te komen,
41Ya estagüe, un taotao na y naanña si Jairo, ya güiya locue magas y sinagoga; mato ya jatombagüe papa gui adeng Jesus, ya jagagao na ujalom gui guimaña.
42omdat hij een enige dochter had, ongeveer twaalf jaren oud, die op sterven lag. Terwijl Hij er heenging, drong de menigte tegen Hem op.
42Sa guaja unoja jagaña na esta guaja dose años, ya estaba jijot na umatae. Ya anae jumanao maapupura güe ni linajyan taotao sija.
43Nu was daar een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiing leed, en heel haar vermogen aan geneesheren had uitgegeven, maar door niemand genezen kon worden.
43Ya un palaoan na numanajuyong jâgâ esta dose años, esta jalachae gumasta todo y güinajaña ni jaapaseñaejon medico, lao taya siña munamagong,
44Ze trad achter Hem aan, en raakte de zoom van zijn kleed aan; aanstonds hield haar bloedvloeiing op.
44Mato gui tateña ya japacha y madoblan magaguña, ya enseguidas esta bumasta y jâgâña.
45Jesus sprak: Wie heeft Mij aangeraakt? Allen ontkenden het, en Petrus zeide:Meester, de menigte omringt U, en dringt op U aan.
45Ayonae si Jesus ilegña: Jayeyo pumacha? Lao anae todos japune ilegña si Pedro yan y mangachongña: Maestro, y linajyan taotao umanoriya jao yan machichiguit jao,
46Maar Jesus sprak: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb een kracht van Mij voelen uitgaan.
46Lao si Jesus ilegña: Guajayo pumacha; sa guajo jutungo na guaja ninasiña jumuyong guiya guajo.
47Toen de vrouw zag, dat ze ontdekt was, trad ze bevend vooruit, viel Hem te voet, en verhaalde voor heel het volk, waarom ze Hem had aangeraakt, en hoe ze aanstonds was genezen.
47Ayonae y palaoan anae jalie na ti siña janaatog, mato ya manlalaolao, ya jatombagüe gui menaña, ya jasangan gui menan y taotao sija todos, pot jafa na japacha, yan jaftaemano na ninajomlo enseguidas.
48Maar Hij zei haar: Dochter, uw geloof heeft u gered; ga in vrede.
48Ya ilegña nu güiya: Hija, y jinengguemo unninajomlo; janao ya upas.
49Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van den overste der synagoge, en zeide Hem: Uw dochter is gestorven; val den Meester niet langer lastig.
49Ya mientras cumuecuentos, mato uno ni taotao y magas y sinagoga ya ilegña: Y jagamo matae, chamo umestototba y Maestro.
50Jesus hoorde het, en sprak tot hen: Vrees niet, maar geloof; en ze zal worden gered.
50Ya anae jajungog si Jesus manopegüe: Chamo maaañao; jonggueja sa güiya ujomlo.
51Bij het huis gekomen, liet Hij niemand met Zich binnengaan dan Petrus, Johannes en Jakobus met den vader en de moeder van het meisje.
51Ya anae mato gui guima, taya japolo na ujalom yan güiya na si Pedro, si Juan, yan si Santiago, yan y tatan y patgon, yan y nanaña.
52Allen weenden er, en jammerden over haar. Maar Hij sprak: Weent niet; ze is niet dood, maar ze slaapt.
52Ya todos mangacasao, yan malamementagüe; lao ilegña: Chamiyo fangacasao; sa ti matae, lao mamaego.
53Men lachte Hem uit, overtuigd, dat ze dood was.
53Ya macháchatgue güe, sa matungoja na esta matae.
54Hij vatte haar bij de hand, en riep: Meisje, sta op!
54Lao güiya jamantiene y canaeña ya jaagang ilegña: Patgon palaoan, cajulo.
55En haar geest keerde weer, en ogenblikkelijk stond ze op; en Hij gelastte, dat men haar te eten zou geven.
55Ya mato y espirituña talo, ya enseguidas cajulo; ya manago na umanachocho.
56Haar ouders waren buiten zichzelf van verbazing; maar Hij verbood hun, het gebeurde aan iemand te vertellen.
56Ya ninafanmanman y mañaenaña: lao jaencatga na chañija sumangangane ni un taotao jafa y mafatinas.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.