Lucas 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Hij zeide hun nog een gelijkenis over de noodzakelijkheid, om altijd te bidden, en nooit de moed te verliezen.
1YA jasangane un acomparasion, na y taotao sija janesesita ufanmanayuyut, ya chañija fanataeanima.
2Hij sprak: In zekere stad was een rechter, die God niet vreesde, en zich aan de mensen niet stoorde.
2Ilelegña: Guaja gui un siuda un jues, na ti maañao as Yuus, ni urespeta ni jaye na taotao:
3Ook was er een weduwe in die stad, die naar hem toe ging, en sprak: Verschaf me recht tegenover mijn tegenpartij.
3Ya guaja locue güije na siuda un biuda ni y mato guiya güiya ya ilelegña: Areglajam yan y enemigujo.
4Een tijd lang wilde hij niet. Maar later zei hij bij zichzelf: Ofschoon ik God niet vrees en me aan de mensen niet stoor,
4Ya ti malago finena; lao despues ilegña gui sumanjalomña: Achogja ti maañaoyo as Yuus, ni jufanrespeta taotao;
5zal ik toch die weduwe maar recht doen, omdat ze mij lastig valt, en anders me eindeloos komt vervelen.
5Lao pot y jarorobayo este na palaoan, bae juaregla sija, sa noseaja pot y sisigueja mague, uestotbayo.
6En de Heer sprak: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.
6Ya y Señot ilegña: Ecungog jafa y ti tunas na jues ilelegña.
7En zou God dan aan zijn uitverkorenen geen recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen? Of zou Hij ze lang laten wachten?
7Ada ti unalibre si Yuus y inayigña, ni y maaagang güe jaane, yan puenge, ya apmam na jasungon pot sija?
8Ik zeg u: Hij zal hun recht doen met spoed. Maar zal de Mensenzoon bij zijn komst wel geloof op aarde vinden?
8Jusangane jamyo, na enseguidas unafanlibre. Lao anae ufato y Lajin taotao, ufañoda jinenggue gui jilo tano?
9Nog sprak Hij deze gelijkenis tegen hen, die van eigen gerechtigheid overtuigd zijn, en anderen verachten.
9Ya jasangan este na acomparasion ni ayo sija y umangocon maesa sija na manunas, ya jadespresia y pumalo:
10Twee mensen gingen op naar de tempel, om er te bidden: de één was een farizeër, de ander een tollenaar.
10Dos na taotao jumanao julo gui templo para ujafanaetae: Y un Fariseo, ya y otro publicano.
11De farizeër stond recht overeind, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar ginds.
11Y Fariseo tumojgue, ya taegüine tinaetaeña gui sumanjalomña: Junae jao grasias Yuus, sa ti parejoyo yan y pumalo na taotao, ni y manáplacha, yan manábale, ni y este publicano.
12Ik vast tweemaal per week, en geef tienden van al wat ik bezit.
12Umayuyunatyo dos biaje gui semana; mannanaeyo diesmos ni y todo güinajajo.
13Maar de tollenaar bleef op een afstand, en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel heffen; hij sloeg zich op de borst, en sprak: O God, wees mij, zondaar, genadig.
13Lao y publicano gaegue na tumotojgue gui chago; ya ti jaguesjatsa y atadogña julo gui langet; lao jaseseco y pechoña, ya ilelegña: Yuus, gaease nu guajo, sa taotao isaoyo.
14Ik zeg u: Deze ging gerechtvaardigd naar huis, in plaats van den andere. Want wie zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
14Jusangane jamyo, na, este na taotao jumanao papa y guimaña, ya maasie y isaoña, mas mauleg qui y otro; sa cada uno y minadangculo güe, uninaumitde; ya y munamitde güe, umanadangculo.
15Men bracht zelfs de kinderen naar Hem toe, opdat Hij ze aanraken zou. Toen de leerlingen dit zagen, wezen ze hen af.
15Ya maconie guato guiya güiya ni y diquique na famaguonñija, para upacha; ya anae manlinie ni y disipulo sija, manmalalatde.
16Maar Jesus riep ze naar Zich toe, en sprak: Laat de kinderen bij Mij komen, en houdt ze niet tegen. Want het koninkrijk Gods is voor hen, die zijn zoals zij.
16Lao si Jesus jaagang sija, ya ilegña: Polo y diquique na famaguon ya ufanmamaela guiya guajo, ya chamiyo chumochoma; sa iyon este sija y raenon Yuus.
17Voorwaar, Ik zeg u: Wie het koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er niet ingaan.
17Magajet jusangane jamyo, na y ti rumesibe y raenon Yuus taegüije y diquique na patgon, ti ujalom güije.
18Een heel voornaam man ondervroeg Hem, en sprak: Goede Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
18Ya un taotao na magas, finaesen güe ilelegña: Mauleg na Maestro, jafa jufatinas para juereda y taejinecog na linâlâ?
19Jesus zeide hem: Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed, dan God alleen.
19Ya si Jesus ilegña nu güiya: Jafa na ilegmo nu guajo mauleg? taya mauleg na unoja, si Yuus.
20Ge kent de geboden: “Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en moeder”.
20Utungo y tinago sija: Chamo umábale, Chamo famumuno, Chamo fañañaque, Chamo sumasangan y ti magajet na sinangan, Onra si tatamo, yan nanamo.
21Hij antwoordde: Dit alles heb ik onderhouden reeds van mijn jeugd af
21Ya ilegña: Todo este sija juadaje desde y pinatgonjo.
22Toen Jesus dit hoorde, zeide Hij hem: Eén ding ontbreekt u nog; verkoop wat ge bezit, geef het aan de armen, en ge zult een schat in de hemel bezitten. Kom dan, en volg Mij.
22Anae jajungog este sija si Jesus, ilegña nu güiya: Guaja uno fattamo trabia: bende todo y güinajamo, ya unfacae y mamobble, ya uguaja güinajamo gui langet, ya maela dalalagyo.
23Maar toen hij dit hoorde, werd hij bedroefd; want hij was zeer rijk.
23Lao anae jajungog estesija, ninágostriste; sa gosrico güe.
24Toen Jesus zijn droefheid zag, zeide Hij: Hoe moeilijk zullen zij, die rijkdommen bezitten, het koninkrijk Gods binnengaan.
24Ya anae linie as Jesus, ilegña: Namanminapot ayo sija y mangaegüinaja manjalom gui raenon Yuus!
25Een kameel gaat gemakkelijker door het oog van een naald, dan een rijke in het koninkrijk Gods.
25Sa guseña malofan un cameyo gui matan y jaguja, qui ujalom un rico gui raenon Yuus.
26De toehoorders zeiden: Wie kan dan zalig worden?
26Ya ayo y jumungog, ilegñija: Jaye nae siña satbo?
27Hij sprak: Wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God.
27Ya ilegña: Y güinaja ni y ti mansiña para y taotao sija; mansiña para as Yuus.
28Toen zei Petrus: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
28Ayonae ilegña si Pedro: Estagüeja na indingo y iyonmame, ya indalalag jao.
29Hij zei hun: Voorwaar, Ik zeg u: Er is niemand, die huis, ouders of broers, vrouw of kinderen verlaat om het koninkrijk Gods,
29Ya ilegña nu sija: Magajet jusangane jamyo, na taya ni un taotao ni y dumingo guma, pat asagua, pat mañelu, pat mañaena, pat famaguon, pot y raenon Yuus,
30of hij zal veel meer terug ontvangen in deze tijd, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.
30Ya ti uresibe mas megae pago na tiempo, lao y mamamaela na tiempo, taejinecog na linâlâ.
31Nu nam Hij het twaalftal ter zijde, en sprak tot hen: Zie, wij gaan op naar Jerusalem; en alles wat door de profeten over den Mensenzoon is geschreven, zal worden vervuld.
31Ya jacone y dose, ya ilegña nu sija: Estagüe, na manjajanaojit julo Jerusalem, ya todosija y tinigue y profeta sija pot y Lajin taotao, ufanmacumple.
32Want Hij zal worden overgeleverd aan de heidenen; Hij zal worden bespot, mishandeld, bespuwd.
32Sa nesesita na umaentrega gui taotao juyong, ya umabotlea, yan umafaesegnane, yan umatolae:
33Men zal Hem geselen en doden; maar op de derde dag zal Hij verrijzen.
33Ya umasaulag, ya umapuno; ya y mina tres na jaane, ucajulo talo.
34Ze begrepen er niets van; dit woord bleef hun duister, en ze verstonden niet wat er gezegd werd.
34Lao sija ti jatungo ni uno gui este sija: ya este na sinangan manaatog guiya sija, ya ni ti jatungo jafa sija y masangan.
35Toen Hij nu Jericho naderde, zat er een blinde te bedelen langs de weg.
35Ya susede anae esta jijijot Jerico, estaba un taotao bachet gui oriyan chalan na matatachong, ya umógagao:
36Hij hoorde de menigte voorbijgaan, en vroeg, wat er gebeurde.
36Ya anae jajungog y linajyan taotao na manmalolofan, mamaesen jafa ayo.
37Men vertelde hem, dat Jesus van Názaret voorbijkwam.
37Ya masangane güe, na si Jesus Nasareno malolofan.
38Toen riep hij luide: Jesus, Zoon van David, ontferm U mijner.
38Ya umagang ilelegña: Jesus, jago ni y Lajin David, gaease nu guajo.
39Zij, die vooropgingen, vielen ruw tegen hem uit, om hem tot zwijgen te brengen. Maar hij riep nog harder: Zoon van David, ontferm U mijner.
39Ya machoma ni y manmofona para ufamatquilo: lao mas umagang megae: Jago ni y Lajin David, gaease nu guajo.
40Jesus bleef staan, en liet hem bij Zich brengen. En toen hij genaderd was, vroeg Hij hem:
40Ya tumojgue si Jesus, ya manago na umaconie guato guiya güiya: ya anae esta jijijot, finaesen:
41Wat wilt ge, dat Ik voor u doe? Hij sprak: Heer, dat ik zien zal!
41Jafa malagomo jufatinas guiya jago? Ya güiya ilegña: Señot, para jufanlie.
42Jesus zeide hem: Zie! Uw geloof heeft u gered.
42Ya ilegña si Jesus nu güiya: Fanlie: y jinengguemo unsinatba.
43En aanstonds zag hij, volgde Hem, en verheerlijkte God. Al het volk zag het, en bracht glorie aan God.
43Ya enseguidas jaresibe y liniiña, ya jadalalag güe, yan janamalag si Yuus; yan todo y taotao sija, anae malie, maalaba si Yuus.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.