Lucas 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Hij zeide hun nog een gelijkenis over de noodzakelijkheid, om altijd te bidden, en nooit de moed te verliezen.
1Сказав же й приповість їм про те, що треба по всяк час молитись, а не внивати,
2Hij sprak: In zekere stad was een rechter, die God niet vreesde, en zich aan de mensen niet stoorde.
2глаголючи: Один суддя був у якомусь городї, й Бога не бояв ся, і чоловіка не соромив ся.
3Ook was er een weduwe in die stad, die naar hem toe ging, en sprak: Verschaf me recht tegenover mijn tegenpartij.
3Вдовиця ж була одна у городї тім, і прийшла до него, кажучи: Помстись за мене над противником моїм.
4Een tijd lang wilde hij niet. Maar later zei hij bij zichzelf: Ofschoon ik God niet vrees en me aan de mensen niet stoor,
4І не хотїв довго, потім же каже в собі: Хоч і Бога не боюсь, і чоловіка не соромлюсь,
5zal ik toch die weduwe maar recht doen, omdat ze mij lastig valt, en anders me eindeloos komt vervelen.
5то, що докучає менї вдова ся, помщусь за неї, щоб, без перестану ходячи, не докучала менї.
6En de Heer sprak: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.
6Рече ж Господь: Слухайте, що суддя неправедний каже!
7En zou God dan aan zijn uitverkorenen geen recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen? Of zou Hij ze lang laten wachten?
7Бог же чи не помстив ся б за вибраних своїх, що голосять до Него день і ніч, хоч довго терпить про них?
8Ik zeg u: Hij zal hun recht doen met spoed. Maar zal de Mensenzoon bij zijn komst wel geloof op aarde vinden?
8Глаголю вам, що помстить ся за них незабаром. Тільки ж Син чоловічий прийшовши, чи знайде віру на землї?
9Nog sprak Hij deze gelijkenis tegen hen, die van eigen gerechtigheid overtuigd zijn, en anderen verachten.
9Сказав же й до инших, що вповали на себе, що вони праведні, та гордували другими, приповість сю:
10Twee mensen gingen op naar de tempel, om er te bidden: de één was een farizeër, de ander een tollenaar.
10Два чоловіки ввійшли в церкву помолитись: один Фарисей, а другий митник.
11De farizeër stond recht overeind, en bad bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar ginds.
11Фарисей, ставши, так у собі молив ся: Боже, дякую Тобі, що я не такий, як инші люде, здирщики, неправедні, перелюбні, або як оцей митник.
12Ik vast tweemaal per week, en geef tienden van al wat ik bezit.
12Я пощу два рази на тиждень, даю десятину з усього, що придбаю.
13Maar de tollenaar bleef op een afstand, en durfde zelfs zijn ogen niet ten hemel heffen; hij sloeg zich op de borst, en sprak: O God, wees mij, zondaar, genadig.
13А митник, оддалеки ставши, не хотїв і очей до неба звести, а бив у груди себе, кажучи: Боже, милостивий будь менї грішному.
14Ik zeg u: Deze ging gerechtvaardigd naar huis, in plaats van den andere. Want wie zich verheft zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
14Глаголю вам: пійшов сей до дому свого оправданий більш, нїж той; бо кожен, хто несеть ся вгору, принизить ся; хто ж принижуєть ся, пійде вгору.
15Men bracht zelfs de kinderen naar Hem toe, opdat Hij ze aanraken zou. Toen de leerlingen dit zagen, wezen ze hen af.
15Приносили ж Йому й дїтей, щоб до них приторкнувсь; бачивши ж ученики, заказували їм.
16Maar Jesus riep ze naar Zich toe, en sprak: Laat de kinderen bij Mij komen, en houdt ze niet tegen. Want het koninkrijk Gods is voor hen, die zijn zoals zij.
16Ісус же, покликавши їх, рече: Пустїть дїток приходити до мене й не боронїть їм; таких бо царство Боже.
17Voorwaar, Ik zeg u: Wie het koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er niet ingaan.
17Істино глаголю вам: Хто не прийме царства Божого, як дитина, не ввійде в него.
18Een heel voornaam man ondervroeg Hem, en sprak: Goede Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
18І питав Його один старшина, кажучи: Учителю благий, що робивши життє вічнє наслїджу.
19Jesus zeide hem: Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed, dan God alleen.
19Рече ж йому Ісус: Чого мене звеш благим? нїхто не благий, тільки один, Бог.
20Ge kent de geboden: “Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en moeder”.
20Заповідї знаєш: Не чини перелюбу, Не вбивай, Не кради, Не сьвідкуй криво, Поважай батька твого й матїр твою.
21Hij antwoordde: Dit alles heb ik onderhouden reeds van mijn jeugd af
21Він же каже: Се все хоронив я з малку мого.
22Toen Jesus dit hoorde, zeide Hij hem: Eén ding ontbreekt u nog; verkoop wat ge bezit, geef het aan de armen, en ge zult een schat in de hemel bezitten. Kom dan, en volg Mij.
22Почувши ж се Ісус, рече йому: Ще одного тобі недостає: усе, що маєш, продай та й роздай убогим, і мати меш скарб на небі; та й приходь, ійди слїдом за мною.
23Maar toen hij dit hoorde, werd hij bedroefd; want hij was zeer rijk.
23Він же, почувши се, став вельми сумний, був бо дуже багатий.
24Toen Jesus zijn droefheid zag, zeide Hij: Hoe moeilijk zullen zij, die rijkdommen bezitten, het koninkrijk Gods binnengaan.
24Побачивши ж його Ісус, що вельми сумний став, рече: Як тяжко багацтва маючи увійти в царство Боже!
25Een kameel gaat gemakkelijker door het oog van een naald, dan een rijke in het koninkrijk Gods.
25Легше бо верблюдові кріз ушко голки пройти, нїж багатому в царство Боже ввійти.
26De toehoorders zeiden: Wie kan dan zalig worden?
26Казали ж ті, що чули: То хто ж може спастись?
27Hij sprak: Wat onmogelijk is bij de mensen, is mogelijk bij God.
27Він же рече: Неможливе у людей — можливе у Бога.
28Toen zei Petrus: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.
28Каже ж Петр: Ось ми покинули все, та й пійшли слїдом за Тобою.
29Hij zei hun: Voorwaar, Ik zeg u: Er is niemand, die huis, ouders of broers, vrouw of kinderen verlaat om het koninkrijk Gods,
29Він же рече їм: Істино, істино глаголю вам: Що нема нїкого, хто покинув господу, або родителїв, або братів, або жінку, або дїти задля царства Божого,
30of hij zal veel meer terug ontvangen in deze tijd, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven.
30та й не приняв багато більше часу сього, а в віку будучому життє вічнє.
31Nu nam Hij het twaalftal ter zijde, en sprak tot hen: Zie, wij gaan op naar Jerusalem; en alles wat door de profeten over den Mensenzoon is geschreven, zal worden vervuld.
31Узявши ж дванайцятьох, рече до них: Оце йдемо в Єрусалим, і станеть ся все, що написано через пророків, Синові чоловічому.
32Want Hij zal worden overgeleverd aan de heidenen; Hij zal worden bespot, mishandeld, bespuwd.
32Буде бо виданий поганам, і насьміхати муть ся з Него, й зневажати муть Його, й плювати муть на Него,
33Men zal Hem geselen en doden; maar op de derde dag zal Hij verrijzen.
33і бивши убють Його; а третього дня воскресне.
34Ze begrepen er niets van; dit woord bleef hun duister, en ze verstonden niet wat er gezegd werd.
34А вони нїчого того не зрозуміли; й було слово се закрите від них, і не розуміли глаголаного.
35Toen Hij nu Jericho naderde, zat er een blinde te bedelen langs de weg.
35Стало ся ж, як наближав ся до Єрихона, один слїпий сидїв при дорозї просячи;
36Hij hoorde de menigte voorbijgaan, en vroeg, wat er gebeurde.
36чувши ж, що народ йде мимо, спитав, що б се було.
37Men vertelde hem, dat Jesus van Názaret voorbijkwam.
37Сказали ж йому, що Ісус Назарянин іде мимо.
38Toen riep hij luide: Jesus, Zoon van David, ontferm U mijner.
38І покликнув, кажучи: Ісусе, сину Давидів, помилуй мене.
39Zij, die vooropgingen, vielen ruw tegen hem uit, om hem tot zwijgen te brengen. Maar hij riep nog harder: Zoon van David, ontferm U mijner.
39А ті, що йшли попереду, сварили на него, щоб мовчав; він же ще більш кричав: Сину Давидів, помилуй мене.
40Jesus bleef staan, en liet hem bij Zich brengen. En toen hij genaderd was, vroeg Hij hem:
40Ставши ж Ісус, звелїв його привести до себе; як же наближив ся він, спитав його,
41Wat wilt ge, dat Ik voor u doe? Hij sprak: Heer, dat ik zien zal!
41глаголючи: Що хочеш, щоб зробив тобі? Він же каже: Господи, щоб прозрів.
42Jesus zeide hem: Zie! Uw geloof heeft u gered.
42А Ісус рече йому: Прозри: віра твоя спасла тебе.
43En aanstonds zag hij, volgde Hem, en verheerlijkte God. Al het volk zag het, en bracht glorie aan God.
43І зараз прозрів, та й пійшов слїдом за Ним, прославляючи Бога; і ввесь народ, побачивши се, оддав хвалу Богові.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.