Lucas 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Eens ging Hij op een sabbat door een korenveld, en zijn leerlingen plukten aren af, wreven ze met de handen uit, en aten ze op.
1І сталось другої суботи після першої, ійшов Він через засїви, й рвали ученики Його колоссє, та й їли, потерши в руках.
2Enige farizeën zeiden dus: Waarom doet gij, wat op de sabbat niet is geoorloofd?
2Деякі ж з Фарисеїв казали їм: На що робите, чого не годить ся робити в суботу?
3Jesus gaf hun ten antwoord: Hebt ge dan niet gelezen, wat David deed, toen hij met zijn gevolg honger had?
3І, озвавшись до них, рече Ісус: Хиба й того не читали, що зробив Давид, як зголоднїв він і ті, що були з ним:
4Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam en opat, en er van gaf aan hen die bij hem waren? En toch mag niemand ze eten, dan de priesters alleen.
4як, увійшовши він у дом Божий, хлїби показні взяв і їв, і дав також тим, що були з ним, котрих не годилось їсти, хиба одним священикам?
5Ook zeide Hij hun: De Mensenzoon is Heer van de sabbat.
5І рече їм: Син чоловічий — Він Господь і суботи.
6Op een andere sabbat ging Hij de synagoge binnen, om onderricht te geven. Daar was een man, wiens rechterhand was verdord.
6І сталось також другої суботи: ввійшов Він у школу та й навчав; а був там чоловік, що рука в него права була суха.
7De schriftgeleerden en farizeën bespiedden Hem, of Hij ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigingen.
7Назирали ж Його письменники та Фарисеї, чи в суботу сцїляти ме, щоб знайти вину на Него.
8Daar Hij hun gedachten kende, sprak Hij tot den man met de verdorde hand: Sta op, en kom in het midden. Hij stond op, en ging er staan.
8Він же знав думки їх, і рече чоловіку сухорукому: Устань і стань на середину. Він же, вставши, стояв.
9Nu sprak Jesus tot hen: Ik vraag u, of men op de sabbat goed mag doen of kwaad, iemand redden of doden?
9Рече ж Ісус до них: Спитаю вас: Що годить ся по суботам: добре робити, чи лихе робити? душу спасати, чи погубляти?
10Hij liet zijn blik over hen allen gaan, en sprak tot hem: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
10І, споглянувши кругом по всїх їх, рече чоловікові: Простягни руку твою. Він же зробив так, і стала рука його здорова, як і друга.
11Maar ze werden razend van woede, en bespraken onder elkander, wat ze Jesus zouden doen.
11Вони ж сповнились лютостю і говорили один до одного, що б зробити Ісусові.
12In die dagen ging Hij het gebergte in, om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God.
12Стало ж ся тими днями, вийшов Він на гору молитись, і був усю ніч на молитві Богу.
13Toen de dag aanbrak, riep Hij zijn leerlingen bijeen, en koos er twaalf van hen uit, die Hij apostelen noemde:
13А, як настав день, покликав учеників своїх; і, вибравши з них дванайцятьох, котрих і апостолами назвав:
14Simon, dien Hij ook Petrus noemde, en Andreas, zijn broer; Jakobus en Johannes; Filippus en Bartolomeüs;
14Симона, що назвав Петром, та Андрея брата його, Якова та Йоана, Филипа та Вартоломея,
15Matteüs en Tomas; Jakobus van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de ijveraar,
15Маттея та Тому, Якова Алфеєвого та Симона, на прізвище Зилота,
16Judas (broer) van Jakobus, en Judas Iskáriot, die een verrader werd.
16Юду Якового та Юду Іскариоцького, що й став ся зрадником;
17Nu daalde Hij met hen af, en bleef op een vlakte staan. Daar bevond zich ook een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel Judea en Jerusalem, en uit het kustland van Tyrus en Sidon,
17і зійшовши з ними, став на місцї рівному, й товариство учеників Його, і множество велике людей з усієї Юдеї і Єрусалиму, й з побережжя Тирського та Сидонського, що поприходили слухати Його і сцїляти ся від недуг своїх,
18die gekomen waren, om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. Allen, die door onreine geesten werden gekweld, werden genezen.
18і мучені від духів нечистих; і сцїляли ся.
19En al het volk zocht Hem aan te raken; want er ging een kracht van Hem uit, die allen genas.
19І ввесь народ шукав приторкнутись до Него: бо сила від Него виходила, й сцїляла всїх.
20Nu sloeg Hij zijn ogen op naar zijn leerlingen, en sprak: Zalig gij armen; want aan u behoort het koninkrijk Gods.
20І знявши Він очі свої на ученики свої, рече: Блаженні вбогі, бо ваше царство Боже.
21Zalig gij, die thans honger lijdt; want gij zult worden verzadigd. Zalig gij, die nu weent; want gij zult lachen.
21Блаженні голодні тепер, бо насититесь. Блаженні плачущі тепер, бо сьміяти метесь.
22Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, u om den Mensenzoon uitbannen en honen, en smaad werpen op uw naam.
22Блаженні, коли ненавидїти муть вас люде, й коли проженуть вас, і осоромлять, і викинуть імя ваше, як зло, задля Сина чоловічого.
23Verheugt u op die dag en jubelt; zie, uw loon is groot in de hemel. Want zó hebben hun vaders de profeten behandeld.
23Радуйтесь того дня і веселїтесь, ось бо нагорода ваша велика на небі; так бо чинили пророкам батьки їх.
24Maar wee u, rijken; want gij hebt uw troost al ontvangen.
24Горе ж вам, багатим! бо прийняли ви утїху вашу.
25Wee u, die thans zijt verzadigd; want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht; want gij zult treuren en wenen.
25Горе вам, ситим! бо голодувати мете. Горе вам, що сьмієтесь тепер; бо сумувати мете да плакати мете.
26Wee u, wanneer alle mensen u prijzen; want zó hebben hun vaders met de valse profeten gedaan.
26Горе вам, коли добре говорити муть про вас усї люде; так бо робили лжепророкам батьки їх.
27Maar Ik zeg tot u, die naar Mij luistert: Bemint uw vijanden; doet wel aan die u haten;
27Тільки ж глаголю вам, слухаючим: Любіть ворогів ваших, добре робіть ненавидникам вашим,
28zegent die u vloeken; bidt voor wie u lasteren.
28благословляйте кленучих вас, і молїть ся за обидників ваших.
29Wie u op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe; en wie u van de mantel berooft, weiger hem ook het onderkleed niet.
29Хто бє тебе у щоку, підстав і другу; а хто бере твою свиту, й жупанка не борони.
30Geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis het uwe niet terug van hem, die het neemt.
30Всякому, хто просить у тебе, дай, і хто бере що твоє, не допевняй ся.
31En zoals ge wilt, dat de mensen u doen, doet het ook aan hen.
31І, як хочете, щоб чинили вам люде, так і ви чинїть їм.
32Als gij bemint die u liefhebben, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Want ook de zondaars hebben lief, die hen beminnen.
32І коли любите тих, хто любить вас, яка вам дяка? бо й грішники тих, хто їх любить, люблять.
33Als gij weldoet aan hen die u weldoen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? De zondaars doen dat immers ook.
33І коли добро робите тим, хто добро робить вам, яка вам дяка? бо й грішники те саме чинять.
34En als gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets terug te krijgen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Ook de zondaars lenen aan zondaars, om evenveel terug te krijgen.
34І коли позичаєте тим, від кого маєте надїю одержати, яка вам дяка? бо й грішники грішникам позичають, щоб одержати стільки ж.
35Neen, hebt uw vijanden lief, doet wel en leent uit, zonder er iets voor terug te hopen; dan zal uw loon groot zijn, en zult gij kinderen zijn van den Allerhoogste. Hij is goedertieren, zelfs voor de ondankbaren en bozen.
35Нї, любіть ворогів ваших, і добро робіть, і позичайте, нїчого від них не сподїваючись; а буде нагорода ваша велика, й будете синами Вишнього; бо Він благий до невдячних і лихих.
36Weest dus barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.
36Будьте ж оце милосерні, як і Отець ваш милосерден.
37Oordeelt niet, en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet, en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij, en gij zult vrijgesproken worden.
37І не судїть, то й не будете суджені; не осуджуйте, то й не будете осуджені; прощайте, то й буде вам прощено.
38Geeft, en u zal worden gegeven: een goede, volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want met de maat, waarmee ge meet, zal ook u worden gemeten.
38Давайте, то й вам буде дано; міру добру, наталовану, й струснуту, й надто пересипану давати муть вам на лоно ваше. Такою бо мірою, якою міряєте, відміряєть ся вам.
39Hij zei hun ook een gelijkenis. Kan een blinde een blinde leiden? Vallen dan beiden niet in een kuil?
39Сказав же приповість їм: Чи може слїпий слїпого водити? хиба обидва в яму не впадуть?
40Geen leerling staat boven den leraar; slechts de goedgevormde leerling zal als zijn leraar zijn.
40Нема ученика над учителя свого; звершений же — буде кожен, як учитель його.
41Hoe ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?
41Чого ж дивиш ся на порошину в оцї брата твого, полїна ж у своєму оцї не чуєш?
42Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter trekken uit uw ogen, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet? Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.
42І як можеш казати братові твоєму: Брате, дай вийму порошину, що в оцї твоїм, сам в оцї своїм полїна не бачивши? Лицеміре, викинь перше ломаку з ока твого, а тодї бачити меш вийняти порошину з ока брата твого.
43Neen, er is geen goede boom, die slechte vruchten draagt; geen slechte boom, die goede vruchten draagt.
43Нема бо дерева доброго, що родить овощ пустий; анї дерева пустого, що родить овощ добрий.
44Want iedere boom wordt aan zijn vruchten gekend; van doornen plukt men geen vijgen, en van een braambos snijdt men geen druiven.
44Кожне бо дерево по свому овощу пізнаєть ся; не збирають бо з тернини смокви, анї збирають з ожини винограду.
45De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; maar de slechte mens brengt uit de slechte schat het slechte voort. Want de mond spreekt, waar het hart vol van is.
45Добрий чоловік з доброго скарбу серця свого виносить добре; а лихий чоловік з лихого скарбу серця свого виносить лихе: бо з переповнї серця промовляють уста його.
46Waarom noemt gij Mij Heer, Heer; en gij doet niet wat Ik zeg?
46На що ж мене звете Господи, Господи, й не робите, що я глаголю?
47Wie tot Mij komt en mijn woorden hoort, maar zich er ook naar gedraagt. Ik zal u tonen aan wien hij gelijk is.
47Всякий, хто приходить до мене, й слухає слова мої, та й чинить їх, покажу вам, кому він подобен:
48Hij is gelijk aan een man, die een huis wilde bouwen, die graven en uitdiepen bleef, en de grondslag legde op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, beukte de stroom tegen dit huis; maar hij kon het niet doen wankelen, want het was stevig gebouwd.
48подобен він чоловікові, будуючому будинок, що викопав глибоко, й положив підвалину на каменї; як же повідь настала, наперла бистрінь на будинок той, та не змогла схитнути його: збудовано бо його на каменї.
49Maar wie hoort, en er niet naar handelt, is gelijk aan een man, die een huis zonder grondslag bouwde, boven op de grond. De stroom beukte er tegen aan; het huis viel aanstonds in, en werd geheel verwoest.
49Хто ж слухає, та не чинить, подобен чоловікові, будуючому будинок на землї, без підвалини, на котрий наперла бистрінь, і зараз упав, і була руїна будинка того велика.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.