Lucas 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Eens ging Hij op een sabbat door een korenveld, en zijn leerlingen plukten aren af, wreven ze met de handen uit, en aten ze op.
1さて、最初の安息日の次に来る第二の安息日に、イエスが麦畑を通っていると、弟子たちは麦の穂を摘み、手でもんで食べた。
2Enige farizeën zeiden dus: Waarom doet gij, wat op de sabbat niet is geoorloofd?
2パリサイ人のある者たちは言った。「なぜあなたがたは、安息日にしてはならないことをするのか。」
3Jesus gaf hun ten antwoord: Hebt ge dan niet gelezen, wat David deed, toen hij met zijn gevolg honger had?
3イエスは彼らに答えた。 「ダビデとその供の者たちが空腹だった時、ダビデが何をしたか、読んだことがないのか。
4Hoe hij het huis van God binnenging, de toonbroden nam en opat, en er van gaf aan hen die bij hem waren? En toch mag niemand ze eten, dan de priesters alleen.
4彼は神の家に入り、祭司以外は食べてはならない供えのパンを取って食べ、供の者たちにも与えたではないか。」
5Ook zeide Hij hun: De Mensenzoon is Heer van de sabbat.
5また彼らに言った。 「人の子は安息日の主である。」
6Op een andere sabbat ging Hij de synagoge binnen, om onderricht te geven. Daar was een man, wiens rechterhand was verdord.
6別の安息日に、イエスは会堂に入って教えた。そこに右手の萎えた人がいた。
7De schriftgeleerden en farizeën bespiedden Hem, of Hij ook op de sabbat zou genezen, om Hem dan te kunnen beschuldigingen.
7律法学者たちとパリサイ人たちは、イエスを訴える口実を見つけようと、安息日に癒やすかどうかを見張っていた。
8Daar Hij hun gedachten kende, sprak Hij tot den man met de verdorde hand: Sta op, en kom in het midden. Hij stond op, en ging er staan.
8しかしイエスは彼らの考えを知って、手の萎えた人に言った。 「立って、真ん中に出なさい。」 その人は立ち上がってそこに立った。
9Nu sprak Jesus tot hen: Ik vraag u, of men op de sabbat goed mag doen of kwaad, iemand redden of doden?
9イエスは彼らに言った。 「あなたがたに尋ねる。安息日に許されているのは、良いことをすることか、害を加えることか。命を救うことか、殺すことか。」
10Hij liet zijn blik over hen allen gaan, en sprak tot hem: Strek uw hand uit! Hij strekte ze uit, en zijn hand was genezen.
10イエスは彼ら一同を見回してから、その人に言った。 「手を伸ばしなさい。」 彼がそうすると、その手はもう一方の手と同じように元どおりになった。
11Maar ze werden razend van woede, en bespraken onder elkander, wat ze Jesus zouden doen.
11しかし彼らは激しい怒りに満たされ、イエスをどうしようかと互いに話し合った。
12In die dagen ging Hij het gebergte in, om te bidden, en bracht er de nacht door in het gebed tot God.
12そのころ、イエスは祈るために山へ行き、夜通し神に祈り続けた。
13Toen de dag aanbrak, riep Hij zijn leerlingen bijeen, en koos er twaalf van hen uit, die Hij apostelen noemde:
13夜が明けると弟子たちを呼び、その中から十二人を選び、使徒と名づけた。
14Simon, dien Hij ook Petrus noemde, en Andreas, zijn broer; Jakobus en Johannes; Filippus en Bartolomeüs;
14ペテロと名づけたシモン、その兄弟アンデレ、ヤコブ、ヨハネ、フィリポ、バルトロマイ、
15Matteüs en Tomas; Jakobus van Alfeüs, en Simon, bijgenaamd de ijveraar,
15マタイ、トマス、アルパヨの子ヤコブ、熱心党と呼ばれたシモン、
16Judas (broer) van Jakobus, en Judas Iskáriot, die een verrader werd.
16ヤコブの子ユダ、そして裏切り者となったイスカリオテのユダである。
17Nu daalde Hij met hen af, en bleef op een vlakte staan. Daar bevond zich ook een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte uit heel Judea en Jerusalem, en uit het kustland van Tyrus en Sidon,
17イエスは彼らとともに下り、平らな所に立った。そこには大勢の弟子たちと、イエスの教えを聞き、病気を癒やしてもらおうと、ユダヤ全土、エルサレム、またツロとシドンの海岸地方から来た、おびただしい数の人々がいた。
18die gekomen waren, om Hem te horen en van hun kwalen genezen te worden. Allen, die door onreine geesten werden gekweld, werden genezen.
18汚れた霊に苦しめられていた人々も癒やされた。
19En al het volk zocht Hem aan te raken; want er ging een kracht van Hem uit, die allen genas.
19群衆は皆、イエスに触れようとした。イエスから力が出て、すべての人を癒やしていたからである。
20Nu sloeg Hij zijn ogen op naar zijn leerlingen, en sprak: Zalig gij armen; want aan u behoort het koninkrijk Gods.
20イエスは弟子たちに目を向けて言った。 「貧しいあなたがたは幸いである。 神の王国はあなたがたのものだからである。
21Zalig gij, die thans honger lijdt; want gij zult worden verzadigd. Zalig gij, die nu weent; want gij zult lachen.
21今、飢えているあなたがたは幸いである。 満たされるからである。 今、泣いているあなたがたは幸いである。 笑うようになるからである。
22Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, u om den Mensenzoon uitbannen en honen, en smaad werpen op uw naam.
22人の子のために、人々があなたがたを憎み、締め出し、あざけり、あなたがたの名を悪いものとして退ける時、あなたがたは幸いである。
23Verheugt u op die dag en jubelt; zie, uw loon is groot in de hemel. Want zó hebben hun vaders de profeten behandeld.
23その日には喜び、躍り上がりなさい。見よ、天でのあなたがたの報いは大きい。彼らの父祖たちも預言者たちに同じことをしたからである。
24Maar wee u, rijken; want gij hebt uw troost al ontvangen.
24しかし、富んでいるあなたがたは災いである。 すでに慰めを受けているからである。
25Wee u, die thans zijt verzadigd; want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht; want gij zult treuren en wenen.
25今、満腹しているあなたがたは災いである。 飢えるようになるからである。 今、笑っているあなたがたは災いである。 悲しみ、泣くようになるからである。
26Wee u, wanneer alle mensen u prijzen; want zó hebben hun vaders met de valse profeten gedaan.
26人々が あなたがたをほめる時、 災いだ。 彼らの父祖たちも偽預言者たちに同じことをしたからである。
27Maar Ik zeg tot u, die naar Mij luistert: Bemint uw vijanden; doet wel aan die u haten;
27「しかし、聞いているあなたがたに言う。敵を愛し、あなたがたを憎む者に良いことをしなさい。
28zegent die u vloeken; bidt voor wie u lasteren.
28あなたがたを呪う者を祝福し、虐待する者のために祈りなさい。
29Wie u op de ene wang slaat, keer hem ook de andere toe; en wie u van de mantel berooft, weiger hem ook het onderkleed niet.
29あなたの頬を打つ者には、もう一方の頬も差し出しなさい。上着を奪う者には、下着も拒んではならない。
30Geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis het uwe niet terug van hem, die het neemt.
30求める者にはだれにでも与え、あなたの物を奪う者から取り戻そうとしてはならない。
31En zoals ge wilt, dat de mensen u doen, doet het ook aan hen.
31「人にしてもらいたいと思うとおりに、あなたがたも人にしなさい。
32Als gij bemint die u liefhebben, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Want ook de zondaars hebben lief, die hen beminnen.
32「自分を愛する者を愛したからといって、何の誉れになるだろう。罪人たちでさえ、自分を愛する者を愛する。
33Als gij weldoet aan hen die u weldoen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? De zondaars doen dat immers ook.
33自分に良いことをする者に良いことをしたからといって、何の誉れになるだろう。罪人たちでさえ同じことをする。
34En als gij leent aan hen, van wie gij hoopt iets terug te krijgen, wat voor verdienste hebt gij dan wel? Ook de zondaars lenen aan zondaars, om evenveel terug te krijgen.
34返してもらえると期待して貸したからといって、何の誉れになるだろう。罪人たちでさえ、同じだけ返してもらうために罪人たちに貸す。
35Neen, hebt uw vijanden lief, doet wel en leent uit, zonder er iets voor terug te hopen; dan zal uw loon groot zijn, en zult gij kinderen zijn van den Allerhoogste. Hij is goedertieren, zelfs voor de ondankbaren en bozen.
35しかし、敵を愛し、良いことをし、何も返してもらおうとせずに貸しなさい。そうすれば、あなたがたの報いは大きく、いと高き方の子らとなる。いと高き方は、感謝しない者にも悪人にも情け深いからである。
36Weest dus barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.
36「だから、あわれみ深い者となりなさい。 あなたがたの父もあわれみ深い方だからである。
37Oordeelt niet, en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet, en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij, en gij zult vrijgesproken worden.
37人を裁いてはならない。 そうすれば、あなたがたも裁かれない。 人を罪に定めてはならない。 そうすれば、あなたがたも罪に定められない。 人を解放しなさい。 そうすれば、あなたがたも解放される。
38Geeft, en u zal worden gegeven: een goede, volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want met de maat, waarmee ge meet, zal ook u worden gemeten.
38「与えなさい。そうすれば、あなたがたにも与えられる。十分に量り、押し込み、揺すって詰め、あふれるほどにして与えられる。 あなたがたが量るその量りで、あなたがたにも量り返されるからである。」
39Hij zei hun ook een gelijkenis. Kan een blinde een blinde leiden? Vallen dan beiden niet in een kuil?
39イエスはまた彼らにたとえを語った。 「目の見えない人が、目の見えない人を案内できるだろうか。二人とも穴に落ちるのではないか。
40Geen leerling staat boven den leraar; slechts de goedgevormde leerling zal als zijn leraar zijn.
40弟子は教師より上ではない。しかし、十分に訓練された者は皆、自分の教師のようになる。
41Hoe ziet ge de splinter in het oog van uw broeder, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet?
41なぜ兄弟の目にある木くずは見えるのに、自分の目にある梁には気づかないのか。
42Of hoe kunt ge tot uw broeder zeggen: Broeder, laat mij de splinter trekken uit uw ogen, en de balk in uw eigen oog ziet ge niet? Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog; dan zult ge zien, hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken.
42自分の目にある梁が見えないのに、どうして兄弟に、『兄弟よ、あなたの目にある木くずを取らせてくれ』と言えるのか。偽善者よ。まず自分の目から梁を取り除きなさい。そうすれば、兄弟の目にある木くずを取り除くためにはっきり見えるようになる。
43Neen, er is geen goede boom, die slechte vruchten draagt; geen slechte boom, die goede vruchten draagt.
43「悪い実を結ぶ良い木はなく、良い実を結ぶ悪い木もない。
44Want iedere boom wordt aan zijn vruchten gekend; van doornen plukt men geen vijgen, en van een braambos snijdt men geen druiven.
44木はそれぞれ、その実によって知られる。いばらからいちじくを集めることはなく、野ばらからぶどうを摘むこともない。
45De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; maar de slechte mens brengt uit de slechte schat het slechte voort. Want de mond spreekt, waar het hart vol van is.
45良い人は心に蓄えた良いものを取り出し、悪い人は心に蓄えた悪いものを取り出す。口は心に満ちているものを語るからである。
46Waarom noemt gij Mij Heer, Heer; en gij doet niet wat Ik zeg?
46「なぜあなたがたは私を『主よ、主よ』と呼びながら、私の言うことを行わないのか。
47Wie tot Mij komt en mijn woorden hoort, maar zich er ook naar gedraagt. Ik zal u tonen aan wien hij gelijk is.
47私のもとに来て、私の言葉を聞き、それを行う人がだれに似ているか示そう。
48Hij is gelijk aan een man, die een huis wilde bouwen, die graven en uitdiepen bleef, en de grondslag legde op de rots. Toen er nu een stortvloed kwam, beukte de stroom tegen dit huis; maar hij kon het niet doen wankelen, want het was stevig gebouwd.
48その人は、家を建てる時、深く掘って岩の上に土台を据えた人に似ている。洪水が起こり、川がその家に激しく打ちつけても、揺り動かすことができなかった。岩の上に建てられていたからである。
49Maar wie hoort, en er niet naar handelt, is gelijk aan een man, die een huis zonder grondslag bouwde, boven op de grond. De stroom beukte er tegen aan; het huis viel aanstonds in, en werd geheel verwoest.
49しかし、聞いても行わない人は、土台なしで地面に家を建てた人に似ている。川が激しく打ちつけると、家はすぐに倒れ、その壊れ方はひどかった。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.