Lucas 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Het is onvermijdelijk, dat er ergernissen komen; maar wee hem, door wien ze komen.
1YA ilegña ni y disipuluña sija: Ti siña ti ufato y escandalo; lao ay, ay ayo y munafato!
2Het ware hem beter, dat hem een molensteen om de hals werd gehangen, en hij zó in de zee werd geworpen, dan dat hij aan een dezer kleinen ergernis geeft.
2Maulegña na umagode gui agagaña un alutong, ya umayute gui tase, antes qui uninaquepodong uno güine gui mandiquique sija.
3Neemt u in acht. Als uw broeder zondigt, berisp hem; en als hij tot inkeer komt, vergeef hem.
3Adaje jamyo: Yanguin umisao y chelumo contra jago, reprende: y yanguin mañotsot, asie.
4En als hij zevenmaal daags tegen u misdoet en zevenmaal tot u terugkeert, en zegt: Het spijt me: dan moet ge hem vergeven.
4Yanguin siete biaje gui un jaane umisao contra jago, ya siete biaje mafato guiya jago, ya ilelegña: Mañotsotyo, un asie.
5En de apostelen zeiden tot den Heer: Vermeerder ons geloof.
5Ya y apostoles, ilegñija nu y Señot: Aumenta, y jinengguenmame.
6En de Heer sprak: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaadje, dan zoudt gij tot deze moerbei zeggen: Trek uw wortels uit, en plant u in zee; en hij zou u gehoorzamen.
6Ya y Señot ilegña: Yanguin mangaejinenggue jamyo taegüije y granon mostasa, ya mojon ilegmiyo nu este na sicómoro trongcon jayo: Chapag jao güenao, ya unplanta jao gui tase; ya mojon infaninesgueja.
7Wie van u, die een knecht heeft, ploeger of veehoeder, zal tot hem zeggen. als hij thuis komt van het veld: Kom gauw hier aan tafel?
7Lao jaye guiya jamyo y guaja tentagoña, na manalalado, pat mamamasto quinilo, y yanguin mato guinin y fangualuan, ualog nu güiya; maela enseguidas y fatachong, ya unchocho?
8Neen; zal hij niet tot hem zeggen: Maak mijn eten klaar; omgord u, en bedien me, totdat ik klaar ben met eten en drinken; daarna kunt ge zelf eten en drinken?
8Ya ti ualog nu güiya finena: Nalisto y senajo para juchocho, ya undudog jao, ya unsetbeyo asta qui munjayanyo chumocho, yan gumimen: ya despues nae unchocho, ya unguimen?
9Is hij den knecht soms dankbaar, omdat hij deed wat bevolen was?
9Numae grasias ayo na tentago, sa jafatinas y matagoña? Jinasoco na aje.
10Zo moet ook gij, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, nog zeggen: We zijn onnutte knechten; we hebben alleen maar gedaan, wat we moesten doen.
10Taegüineja locue jamyo, yanguin esta inchegüe todo ayo sija y jutago jamyo, ualog: Maninutil jam na tentago; sa ayoja y para y chechomame inchegüe.
11Op zijn reis naar Jerusalem trok Hij langs de grens van Samaria en Galilea heen.
11Ya susede anae jumanao para Jerusalem, ya malofan gui inanaco Samaria, yan Galilea.
12Toen Hij zeker dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet. Ze bleven op een afstand staan,
12Ya anae jumalom gui un songsong, manasoda güije yan dies na taotao na manategtog; ya manojgue desde y chago.
13en riepen luid: Jesus, Meester, ontferm U onzer.
13Ya jajatsa y inagangñija, ya ilegñija: Jesus, Maestro, gaease nu jame.
14Toen Hij ze zag, zei Hij hun: Gaat heen, vertoont u aan de priesters. En terwijl ze er heen gingen, werden ze rein.
14Ya anae jalie, ilegña nu sija: Janao ya infanue y mamale nu jamyo. Ya susede anae manjajanao, manjuyong mangasgas.
15Eén van hen keerde terug, zodra hij zich genezen zag. Met luider stem verheerlijkte hij God;
15Ya y uno guiya sija, anae jalie na jomlo güe, jabira güe tate, ya janaagagang mannae si Yuus minalag.
16en hij viel op zijn aangezicht neer voor zijn voeten, en dankte Hem: en dat was een Samaritaan.
16Ya jatomba güe papa gui fion adeng si Jesus, ya janae grasias: este na taotao, Samaritano.
17Nu nam Jesus het woord, en sprak: Zijn er geen tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen?
17Ya manope si Jesus, ilegña: Ada ti dies y mangasgas? ya manmangue y nuebe?
18Heeft men niemand anders terug zien keren, om eer te brengen aan God, dan dezen vreemdeling alleen?
18Taya masoda tumalo mague para unae si Yuus grasias, na esteja y taotao juyong.
19En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u gered.
19Ya ilegña bu güiya: Cajulo ya unjanao; y jinengguemo munajomlo jao.
20De farizeën vroegen Hem: Wanneer komt het koninkrijk Gods? Hij gaf hun ten antwoord: Het koninkrijk Gods komt zonder opzien te verwekken.
20Ya anae mafaesen ni y Fariseo sija, ngaean nae ufato y raenon Yuus, jaope ilegña: Y raenon Yuus, ti matungo finatoña.
21Men zal niet zeggen: Zie, hier is het; zie, daar is het. Want zie, het koninkrijk Gods is midden onder u.
21Ni ujaalog: Estagüe! pat ayogüe! sa y raenon Yuus, gaegueja gui sumanjalommiyo.
22Nu sprak Hij tot zijn leerlingen: Er zullen dagen komen, dat gij zult wensen, één der dagen van den Mensenzoon te zien; en gij zult Hem niet zien.
22Ya ilegña ni y disipuluña sija: Ufato y jaane sija, na infanmalago na inlie uno gui jaanin y Lajin taotao, ya ti inlie.
23Men zal tot u zeggen: Zie, ginds is Hij; zie, hier is Hij. Gaat er niet heen, en loopt niemand na.
23Ya ujaalog nu jamyo: Estagüe, pat ayogüe; chamiyo tumatitiye, ni indalalaque sija.
24Want zoals de bliksem flikkert, en van de ene kant van de hemel naar de andere flitst, zó zal de Mensenzoon er zijn op zijn dag.
24Sa taegüijeja y lamlam, yan mañila gui un lugat gui papa y langet, ya inina y otro banda gui papa y langet; taegüineja locue y Lajin taotao, gui jaaniña.
25Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.
25Lao nesesita na ufamadese finena megae, ya umarechasa ni este na generasion.
26En zoals het was in de dagen van Noë, zo zal het ook in de dagen van den Mensenzoon zijn.
26Sa jaftaemanoja y jaanin Noe, taegüijeja locue y jaanin y Lajin taotao.
27Men at en dronk, huwde en huwde uit, tot op de dag, dat Noë de ark binnentrad, en de zondvloed kwam en allen verzwolg.
27Mañocho, yan manguimen, yan manasagua, yan manafanasagua, asta ayo na jaane anae jumalom si Noe gui atca, ya mato y dilubio ya manyinilang sija todo.
28Of zoals het was in de dagen van Lot: men at en dronk, kocht en verkocht, plantte en bouwde.
28Taegüineja locue jasusede gui jaanin Lot: mañocho, manguimen, manmamajan, manmanbende, manmananom, yan manmanjatsa guma;
29Maar op de dag, dat Lot uit Sódoma ging, liet God het vuur en zwavel uit de hemel regenen, en verdelgde allen.
29Lao ayoja na jaane anae jumanao si Lot guiya Sodoma, janauchan guafe, yan asufre guinin y langet, ya manyinilang todo sija.
30Zo zal het ook gaan op de dag, waarop de Mensenzoon verschijnt.
30Taegüijeja uguaja güije na jaane yanguin ufamanue y Lajin taotao.
31Wie die dag op het dakterras is en zijn meubels in huis heeft hij dale niet af, om ze mee te nemen; en wie op het veld is, kere niet terug.
31Ayo na jaane, ayo y gaegue gui jilo guma ya y güinajaña gaegue gui jalom guma, chaña tumutunog ya uchule; parejoja locue yan y gaegue gui fangualuan, chaña tumatalo tate.
32Denkt aan de vrouw van Lot.
32Jaso y asaguan Lot.
33Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen; en wie het verliest, zal het behouden.
33Masquesea jaye y umaliligao na usatba y linâlâña, ufinalingaeguan; ya masquesea jaye y finalingaeguan y liânâlña umasatba.
34Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed liggen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
34Jusangane jamyo, na ayo na puenge uguaja dos na taotao gui un catre; y uno umacone ya y otro umapolo.
35twee zullen er niet de handmolen malen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
35Dos na palaoan dumadaña manguleg; y uno umacone, ya y otro umapolo.
36-
36Dos na taotao ugaegue gui fangualuan; y uno umacone, ya y otro umapolo.
37Ze antwoordden Hem: Waar, Heer? Hij zei hun: Waar het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
37Ya manmanope ilegñija nu güiya: Manggue Señot? Ya jaope ilegña: Manoja nae gaegue y tataotao, ayoja nae mandaña y pojaro aguila sija.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.