Lucas 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Daarna ging Hij rond door steden en dorpen, om te preken en het koninkrijk Gods te verkondigen. Hij was vergezeld van het twaalftal,
1I stalo se potom, že on chodil po městech a po městečkách, káže a zvěstuje království Boží, a dvanácte s ním,
2en van enige vrouwen, die van boze geesten en ziekten waren verlost: Maria, Magdalena geheten, uit wie zeven duivels waren uitgegaan.
2I ženy některé, kteréž byly uzdraveny od duchů zlých a od nemocí: Maria, jenž slove Magdaléna, z nížto bylo sedm ďáblů vyšlo,
3Johanna, de vrouw van Choesa, den hofmeester van Herodes. Susanna en vele anderen, die hun met haar vermogen ten dienste stonden.
3A Johanna manželka Chuzova, úředníka Herodesova, a Zuzanna, a jiné mnohé, kteréž posluhovaly jemu z statků svých.
4Toen er eens een grote menigte bijeen was, daar men uit alle steden naar Hem was toegestroomd, sprak Hij in een gelijkenis:
4Když se pak scházel zástup mnohý, a z okolních měst hrnuli se k němu, mluvil jim v podobenství:
5De zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien. En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; het werd vertrapt, en de vogels uit de lucht pikten het op.
5Vyšel rozsevač, aby rozsíval símě své. A když on rozsíval, jedno padlo podle cesty, i pošlapáno jest, a ptáci nebeští szobali je.
6Een ander gedeelte viel op de rots: even kwam het op, maar verdorde, omdat het geen vocht had.
6A jiné padlo na skálu, a vzešlé uvadlo, nebo nemělo vláhy.
7Een ander gedeelte viel tussen de doornen; en de doornen schoten mede op, en verstikten het.
7Jiné pak padlo mezi trní, a spolu vzrostlé trní udusilo je.
8Een ander gedeelte viel op de goede aarde; het schoot op, en droeg honderdvoudige vrucht. Na deze woorden riep Hij uit: Wie oren heeft om te horen, hij hore.
8A jiné padlo v zemi dobrou, a když vzešlo, učinilo užitek stý. To pověděv, volal: Kdo má uši k slyšení, slyš.
9Zijn leerlingen vroegen Hem naar de zin der gelijkenis.
9I otázali se ho učedlníci jeho, řkouce: Jaké jest to podobenství?
10Hij sprak: U is het gegeven, de geheimen te kennen van het koninkrijk Gods, maar tot de overigen wordt in parabels gesproken; opdat ze zouden zien en niet inzien, zouden horen en niet verstaan.
10A on řekl: Vám dáno jest znáti tajemství království Božího, ale jiným v podobenství, aby hledíce, neviděli, a slyšíce, nerozuměli.
11Dit is de zin der gelijkenis: Het zaad is Gods woord.
11Jestiť pak podobenství toto: Símě jest slovo Boží.
12Het zaad langs de weg zijn zij, die het woord wel horen; maar dan komt de duivel en neemt het weg uit hun hart, opdat ze niet zouden geloven en worden gered.
12A kteréž padlo podle cesty, jsou ti, kteříž slyší, a potom přichází ďábel, a vynímá slovo z srdce jejich, aby nevěříce, spaseni nebyli.
13Het zaad op de rots zijn zij, die het woord met vreugde aanvaarden, zodra ze het horen, maar die geen wortel hebben geschoten; een tijd lang geloven ze wel, maar in de tijd der beproeving vallen ze af.
13Ale kteříž na skálu, ti když slyší, s radostí příjímají slovo, a tiť kořenů nemají; ti na čas věří, a v čas pokušení odstupují.
14Het zaad, dat tussen de doornen valt, zijn zij, die wel hebben geluisterd, maar die gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven zich laten verstikken en nooit tot rijpheid komen.
14Kteréž pak mezi trní padlo, tiť jsou, kteříž slyšíce, a po pečování a zboží a rozkošech života jdouce, bývají udušeni, a nepřinášejí užitku.
15Maar het zaad, dat in de goede aarde valt, zijn zij, die met een goed en edel hart het woord vernemen, het aanvaarden, en het vrucht doen dragen door te volharden.
15Ale kteréž padlo v zemi dobrou, ti jsou, kteřížto v srdci ctném a dobrém, slyšíce slovo, zachovávají je, a užitek přinášejí v trpělivosti.
16Niemand steekt een lamp aan, en verbergt ze onder een bak, of zet ze onder een bed; maar hij plaatst ze op de kandelaar, opdat wie binnenkomt, het licht kan zien.
16Nižádný pak rozsvítě svíci, nepřikrývá jí nádobou, ani staví pod postel, ale na svícen staví, aby ti, kteříž vcházejí, světlo viděli.
17Want niets is verborgen, of het zal worden geopenbaard; en niets is geheim, of het wordt bekend en het komt aan het licht.
17Nebo nic není tajného, což by nemělo býti zjeveno, ani co ukrytého, což by nemělo poznáno býti a na světlo vyjíti.
18Let er dus op, hoe gij luistert. Want wie heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, hem zal ook nog ontnomen worden, wat hij meent te bezitten.
18Protož vizte, jak slyšíte. Nebo kdož má, tomu bude dáno, a kdo nemá, i to, což domnívá se míti, bude odjato od něho.
19Nu kwamen zijn moeder en broeders naar Hem toe, maar door de menigte konden ze Hem niet bereiken.
19Tedy přišli k němu matka a bratří jeho, ale nemohli ho dojíti pro zástup.
20Men boodschapte Hem: Uw moeder en broeders staan buiten en willen U zien.
20I pověděli mu, řkouce: Matka tvá a bratří tvoji stojí vně, chtíce tebe viděti.
21Maar Hij gaf ten antwoord: Mijn moeder en broeders zijn zij, die het woord Gods horen, en er naar handelen.
21A on odpověděv, řekl k nim: Matka má a bratří moji jsou ti, kteříž slovo Boží slyší a plní je.
22Op zekere dag ging Hij met zijn leerlingen in een boot, en zeide tot hen: Laten we oversteken naar de andere kant van het meer. Ze staken van wal;
22Stalo se pak v jeden den, že on vstoupil na lodí i učedlníci jeho. I řekl k nim: Přeplavme se přes jezero. I odstrčili lodí od břehu.
23en onder de vaart sliep Hij in. Maar een hevige storm brak los op het meer: ze kregen water binnen en liepen gevaar.
23A když se plavili, usnul. Tedy přišla bouře tuhého větru na jezero, a vlny lodí naplňovaly, takže v nebezpečenství byli.
24Ze gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, we vergaan. Toen stond Hij op, en gebood aan de wind en de golven; ze bedaarden, en het werd stil.
24I přistoupivše, zbudili ho, řkouce: Mistře, Mistře, hyneme. A on procítiv, přimluvil větru a zdutí vod. I přestala bouře, a stalo se utišení.
25Maar tot hen zeide Hij: Waar is uw geloof? Met angstige verbazing zeiden ze tot elkander: Wie is Hij toch, dat Hij zelfs de winden gebiedt en het water, en dat ze Hem gehoorzamen?
25I řekl jim: Kde je víra vaše? Kteřížto bojíce se, podivili se, vespolek řkouce: I kdo jest tento, že větrům přikazuje i vodám, a poslouchají ho?
26Ze legden aan in het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt.
26I plavili se do krajiny Gadarenské, kteráž jest proti Galilei.
27Zodra Hij aan wal was gestapt, kwam Hem uit de stad een man tegemoet, die door duivels was bezeten. Sinds lang droeg hij geen kleren meer, en verbleef niet in huis, maar in de grafspelonken.
27A když z lodí vystoupil na zemi, potkal jej muž jeden z města, kterýž měl ďábelství od mnoha časů, a rouchem se neodíval, ani v domu býval, ale v hrobích.
28Toen hij Jesus zag, viel hij gillend voor Hem neer, en schreeuwde het uit: Wat hebt Gij met ons te maken. Jesus, Zoon van den allerhoogsten God? Ik bid U, mij niet te gaan kwellen.
28Ten uzřev Ježíše zkřikl a padl před ním, a hlasem velikým řekl: Co je tobě do mne, Ježíši, Synu Boha nejvyššího? Prosím tebe, netrap mne.
29Want Hij had den onreinen geest geboden, den man te verlaten. Reeds dikwijls toch had hij zich van hem meester gemaakt. Dan had men hem met ketens en voetboeien gebonden, om hem vast te houden; maar hij had de boeien stuk gebroken, en was door den duivel naar eenzame plaatsen gejaagd.
29Nebo přikazoval duchu nečistému, aby vyšel z toho člověka. Po mnohé zajisté časy jím lomcoval, a býval ukován řetězy a v poutech ostříhán, ale on polámal okovy a býval od ďábelství puzen na poušť.
30Jesus vroeg hem: Hoe is uw naam? Hij zei: Legioen. Want vele duivels waren in hem gevaren.
30I otázal se Ježíš, řka: Jakť říkají? A on řekl: Tma. Neb bylo mnoho ďáblů vešlo do něho.
31Ze verzochten Hem dringend, hun niet te gelasten, naar de afgrond te gaan.
31Tedy prosili ho, aby jim nepřikazoval jíti do propasti.
32Nu liep daar op de berg een grote troep zwijnen te grazen. Ze verzochten Hem, hun toe te staan, in die zwijnen te varen. Hij stond het hun toe.
32Bylo pak tu veliké stádo vepřů, kteříž se pásli na hoře. I prosili ho ďáblové, aby jim dopustil do nich vjíti. I dopustil jim.
33Toen gingen de duivels uit van den mens, en wierpen zich op de zwijnen; en de troep plofte van de steilte in het meer, en verdronk.
33I vyšedše ďáblové z člověka, vešli do vepřů, a hned běželo stádo s chvátáním s vrchu do jezera, i ztonulo.
34Toen de drijvers zagen, wat er gebeurde, vluchtten ze heen, en vertelden het in stad en land.
34A viděvše pastýři, co se stalo, utekli pryč; a šedše, vypravovali to v městě i po vsech.
35Men kwam dus zien, wat er gebeurd was. Toen ze nu bij Jesus kwamen, en den man, uit wien de duivels waren uitgegaan, gekleed en goed bij verstand aan Jesus’ voeten vonden zitten, werden ze bang.
35I vyšli lidé, aby viděli, co se stalo. I přišli k Ježíšovi, a nalezli člověka toho, z kteréhož ďáblové vyšli, oděného a majícího rozum, an sedí u noh Ježíšových. I báli se.
36Nu verhaalden nog de ooggetuigen, hoe de bezetene was verlost.
36A vypravovali jim také ti, kteříž byli viděli, kterak jest zdráv učiněn ten, jenž měl ďábelství.
37Toen verzocht Hem de hele bevolking van het gebied der Gerasenen, om van hen heen te gaan; want een ontzettende vrees greep hen aan. Nu ging Hij weer in de boot, om terug te keren;
37I prosilo ho to všecko množství té okolní krajiny Gadarenských, aby odšel od nich; nebo bázní velikou naplněni byli. A on vstoupiv na lodí, navrátil se.
38en de man, uit wien de duivels waren uitgegaan, vroeg Hem verlof, om bij Hem te blijven. Maar Hij zond hem heen, en zeide:
38Prosil ho pak muž ten, z kteréhož ďáblové vyšli, aby s ním byl. Ale Ježíš propustil ho, řka:
39Ga naar huis, en verhaal al wat God u gedaan heeft. Hij ging heen, en vertelde heel de stad door, wat Jesus hem had gedaan.
39Navrať se do domu svého, a vypravuj, kterak veliké věci učinil tobě Bůh. I odšel, po všem městě vypravuje, jak veliké věci učinil jemu Ježíš.
40Bij Jesus’ terugkeer kwam Hem de schare begroeten; ze stonden allen op Hem te wachten.
40Stalo se pak, když se navrátil Ježíš, že přijal jej zástup; nebo všickni očekávali ho.
41En zie, daar naderde een man, Jaïrus genaamd, die overste van de synagoge was. Hij viel voor Jesus’ voeten neer, en verzocht Hem, mee naar zijn huis te komen,
41A aj, přišel muž, kterémuž jméno bylo Jairus, a ten byl kníže školy Židovské. I padna k nohám Ježíšovým, prosil ho, aby všel do domu jeho.
42omdat hij een enige dochter had, ongeveer twaalf jaren oud, die op sterven lag. Terwijl Hij er heenging, drong de menigte tegen Hem op.
42Nebo měl dceru tu jedinou, kteréž bylo okolo dvanácti let, a ta umírala. A když šel, tiskl jej zástup.
43Nu was daar een vrouw, die twaalf jaar lang aan bloedvloeiing leed, en heel haar vermogen aan geneesheren had uitgegeven, maar door niemand genezen kon worden.
43Tedy žena jedna, jenž nemoc svou trpěla od let dvanácti, (kterážto byla na lékaře vynaložila všecken statek, a od žádného nemohla uzdravena býti,)
44Ze trad achter Hem aan, en raakte de zoom van zijn kleed aan; aanstonds hield haar bloedvloeiing op.
44Přistoupivši pozadu, dotkla se podolka roucha jeho, a hned přestala nemoc její.
45Jesus sprak: Wie heeft Mij aangeraakt? Allen ontkenden het, en Petrus zeide:Meester, de menigte omringt U, en dringt op U aan.
45I řekl Ježíš: Kdo jest, jenž se mne dotekl? A když všickni zapírali, řekl Petr, a kteříž s ním byli: Mistře, zástupové tebe tisknou a tlačí, a ty pravíš: Kdo se mne dotekl?
46Maar Jesus sprak: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb een kracht van Mij voelen uitgaan.
46I řekl Ježíš: Dotekl se mne někdo, nebo poznal jsem já, že jest moc ode mne vyšla.
47Toen de vrouw zag, dat ze ontdekt was, trad ze bevend vooruit, viel Hem te voet, en verhaalde voor heel het volk, waarom ze Hem had aangeraakt, en hoe ze aanstonds was genezen.
47A viduci žena, že by tajno nebylo, třesuci se, přistoupila a padla před ním, a pro kterou příčinu dotkla se ho, pověděla přede vším lidem, a kterak jest hned uzdravena.
48Maar Hij zei haar: Dochter, uw geloof heeft u gered; ga in vrede.
48A on řekl jí: Dobré mysli buď, dcero, víra tvá tebe uzdravila. Jdiž u pokoji.
49Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van den overste der synagoge, en zeide Hem: Uw dochter is gestorven; val den Meester niet langer lastig.
49A když on ještě mluvil, přišel jeden od knížete školy, řka jemu: Již umřela dcera tvá, nezaměstnávej Mistra.
50Jesus hoorde het, en sprak tot hen: Vrees niet, maar geloof; en ze zal worden gered.
50Ale Ježíš uslyšav to, odpověděl jemu: Nebojž se, věř toliko, a zdrávať bude.
51Bij het huis gekomen, liet Hij niemand met Zich binnengaan dan Petrus, Johannes en Jakobus met den vader en de moeder van het meisje.
51A všed do domu, nedopustil s sebou vjíti žádnému než Petrovi a Jakubovi a Janovi, a otci a mateři té děvečky.
52Allen weenden er, en jammerden over haar. Maar Hij sprak: Weent niet; ze is niet dood, maar ze slaapt.
52Plakali jí pak všickni a kvílili. A on řekl: Neplačtež. Neumřelať, ale spíť.
53Men lachte Hem uit, overtuigd, dat ze dood was.
53I posmívali se jemu, vědouce, že jest umřela.
54Hij vatte haar bij de hand, en riep: Meisje, sta op!
54On pak vyhnav ven všecky, a ujav ruku její, zavolal, řka: Děvečko, vstaň!
55En haar geest keerde weer, en ogenblikkelijk stond ze op; en Hij gelastte, dat men haar te eten zou geven.
55I navrátil se duch její, a vstala hned. I kázal jí dáti jísti.
56Haar ouders waren buiten zichzelf van verbazing; maar Hij verbood hun, het gebeurde aan iemand te vertellen.
56I divili se náramně rodičové její. A on jim kázal, aby žádnému nepravili o tom, co se bylo stalo.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.