Lucas 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Op een van die dagen, dat Hij het volk in de tempel onderrichtte en het evangelie verkondigde, traden de opperpriesters, schriftgeleerden en oudsten op Hem toe,
1I stalo se v jeden den, když on učil lid v chrámě a kázal evangelium, že přišli k tomu přední kněží a zákoníci s staršími,
2en zeiden tot Hem: Zeg ons, met wat recht doet Gij dit alles; of wie heeft U dit recht gegeven?
2I řekli jemu: Pověz nám, jakou mocí tyto věci činíš, aneb kdo tobě tuto moc dal?
3Hij gaf hun ten antwoord: Ook Ik zal u een vraag stellen; antwoordt Mij.
3I odpověděv, řekl jim: Otížiť se i já vás o jedné věci a odpověztež mi:
4Was het doopsel van Johannes van de hemel of van de mensen?
4Křest Janův s nebe-li byl, čili z lidí?
5Ze overlegden bij zichzelf: Als we zeggen: “Van de hemel”, dan zal Hij antwoorden: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?
5Oni pak uvažovali to mezi sebou, řkouce: Jestliže bychom řekli: S nebe, díť nám: Pročež jste tedy neuvěřili jemu?
6Zeggen we: “Van de mensen”, dan zal het hele volk ons stenigen; want het is overtuigd, dat Johannes een profeet was.
6Pakli díme: Z lidí, lid všecken ukamenuje nás; neb oni cele tak drží, že Jan jest prorok.
7Ze antwoordden dus, dat ze niet wisten, waar het vandaan was.
7I odpověděli: Že nevědí, odkud jest byl.
8Nu sprak Jesus tot hen: Dan zeg Ik u evenmin, met welk recht Ik dit alles doe.
8I řekl jim Ježíš: Aniž já vám povím, jakou mocí toto činím.
9Nu stelde Hij het volk deze gelijkenis voor: Een man plantte een wijngaard, verpachtte hem aan landbouwers, en vertrok voor lange tijd naar het buitenland.
9I počal lidu praviti podobenství toto: Èlověk jeden štípil vinici, a pronajal ji vinařům, a sám odšed podál byl tam za mnohé časy.
10Op de vastgestelde tijd zond hij een knecht tot de landbouwers, opdat ze hem zijn aandeel der vruchten van de wijngaard zouden geven. Maar de landbouwers sloegen hem, en stuurden hem met lege handen weg.
10A v čas slušný poslal k vinařům služebníka, aby z ovoce vinice dali jemu. Vinaři pak zmrskavše jej, pustili ho prázdného.
11Opnieuw zond hij een anderen knecht; maar ze sloegen en hoonden hem, en stuurden hem met lege handen weg.
11A on poslal druhého služebníka. Oni pak i toho zmrskavše a zohavivše, pustili prázdného.
12Nog zond hij een derde; ook hem verwondden ze, en smeten hem er uit.
12I poslal třetího. Ale oni i toho zranivše, vystrčili ven.
13Toen sprak de heer van de wijngaard: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; misschien dat ze voor hem ontzag zullen hebben.
13Tedy řekl Pán vinice: Co učiním? Pošli svého milého Syna. Snad když toho uzří, ostýchati se budou.
14Maar toen de landbouwers hem zagen, overlegden ze met elkaar, en zeiden: Dat is de erfgenaam; laten we hem doden, dan zullen wij de erfenis krijgen.
14Uzřevše pak vinaři, rozmlouvali mezi sebou, řkouce: Tentoť jest dědic; pojďte, zabijme jej, aby naše bylo dědictví.
15Ze wierpen hem buiten de wijngaard, en doodden hem. Wat zal nu de heer van de wijngaard met hen doen?
15A vystrčivše jej ven z vinice, zamordovali ho. Což tedy učiní jim Pán vinice?
16Hij zal die landbouwers komen verdelgen, en de wijngaard aan anderen geven. Toen ze dit hoorden, zeiden ze: Dat nooit!
16Přijde a vyhladí vinaře ty, a dá vinici jiným. To uslyšavše, řekli: Odstup to.
17Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat betekent dan wat er geschreven staat: “De steen, die de bouwlieden verwierpen, Hij is de hoeksteen geworden”?
17A on pohleděv na ně, řekl: Co jest pak to, což napsáno jest: Kámen, kterýmž pohrdli dělníci, ten učiněn jest v hlavu úhelní.
18Wie op deze steen valt, zal worden verbrijzeld; en op wien hij valt, dien zal hij verpletteren.
18Každý, kdož padne na ten kámen, rozrazí se; a na kohož by on upadl, potřeť jej.
19Nu zochten de opperpriesters en schriftgeleerden onmiddellijk de hand aan Hem te slaan; maar ze vreesden het volk. Want ze begrepen, dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld.
19I hledali přední kněží a zákoníci, jak by naň vztáhli ruce v tu hodinu, ale báli se lidu. Nebo porozuměli, že by na ně mluvil podobenství to.
20Ze lieten Hem nu bespieden, en zonden spionnen op Hem af, die zich als goedgezinden moesten voordoen, om Hem in zijn eigen woorden te verstrikken, en Hem dan over te leveren aan de overheid en aan de macht van den landvoogd.
20Tedy ukládajíce o něm, poslali špehéře, kteříž by se spravedlivými činili, aby ho polapili v řeči, a potom jej vydali vrchnosti a v moc hejtmanu.
21Ze vroegen Hem dus: Meester, we weten, dat Gij ronduit spreekt en leert, en niemand naar de ogen ziet, maar de weg van God naar waarheid leert.
21I otázali se ho oni, řkouce: Mistře víme, že právě mluvíš a učíš, a nepřijímáš osoby, ale v pravdě cestě Boží učíš.
22Is het ons geoorloofd, den keizer belasting te betalen, of niet?
22Sluší-li nám daň dávati císaři, čili nic?
23Maar Hij doorzag hun list, en zei tot hen:
23Ale Ježíš rozuměje chytrosti jejich, dí jim: Co mne pokoušíte?
24Toont Mij een tienling; wiens beeld en randschrift draagt hij? Ze zeiden: Van den keizer.
24Ukažte mi peníz. Èí má obraz a nápis? I odpověděvše, řekli: Císařův.
25Hij sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt, en geeft aan God, wat God toekomt.
25On pak řekl jim: Dejtež tedy, co jest císařova, císaři, a což jest Božího, Bohu.
26Ze konden hem in het bijzijn van het volk niet in zijn eigen woorden verstrikken; ze waren verbaasd over zijn antwoord, en zwegen stil
26I nemohli ho za slovo popadnouti před lidem, a divíce se odpovědi jeho, umlkli.
27Nu kwamen er enige sadduceën naar Hem toe, die de verrijzenis loochenen; ze ondervroegen Hem,
27Přistoupivše pak někteří z saduceů, (kteříž odpírají býti vzkříšení,) otázali se ho,
28en zeiden: Meester, Moses heeft ons voorgeschreven, dat, zo iemands broer gehuwd is en kinderloos sterft, zijn broer de vrouw moet huwen, en nakomelingschap voor zijn broer moet verwekken.
28Řkouce: Mistře, Mojžíš napsal nám: Kdyby bratr něčí umřel, maje manželku, a umřel by bez dětí, aby ji pojal bratr jeho za manželku, a vzbudil símě bratru svému.
29Nu waren er zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.
29I bylo sedm bratří, a první pojav ženu, umřel bez dětí.
30Nu huwde de tweede haar,
30I pojal ji druhý, a umřel i ten bez dětí.
31ook de derde, en zo verder alle zeven; en ze stierven kinderloos.
31A třetí pojal ji, též i všech těch sedm, a nezůstavivše semene, zemřeli.
32Ten laatste stierf ook de vrouw.
32Nejposléze po všech umřela i žena.
33Wien van hen zal ze nu bij de verrijzenis als vrouw toebehoren? Ze hebben haar immers alle zeven tot vrouw gehad.
33Protož při vzkříšení kterého z nich bude manželka, poněvadž sedm jich mělo ji za manželku?
34Jesus sprak tot hen: De kinderen dezer wereld huwen en worden uitgehuwd.
34A odpovídaje, řekl jim Ježíš: Synové tohoto světa žení se a vdávají.
35Maar zij, die waardig worden bevonden, deel te hebben aan de andere wereld en aan de verrijzenis uit de doden, zullen huwen noch uitgehuwd worden.
35Ale ti, kteříž hodni jmíni budou dosáhnouti onoho věku a vzkříšení z mrtvých, ani se ženiti budou ani vdávati.
36Ze kunnen immers niet meer sterven; want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen der verrijzenis ook kinderen Gods.
36Nebo ani umírati více nebudou moci, andělům zajisté rovni budou. A jsou synové Boží, poněvadž jsou synové vzkříšení.
37En dat de doden verrijzen, gaf ook Moses te kennen in het Braambosverhaal, wanneer hij den Heer den God van Abraham, den God van Isaäk en den God van Jakob noemt.
37A že mrtví vstanou z mrtvých, i Mojžíš ukázal při onom kři, když nazývá Pána Bohem Abrahamovým a Bohem Izákovým a Bohem Jákobovým.
38Hij is toch geen God van doden, maar van levenden; want allen leven voor Hem.
38Bůhť pak není mrtvých, ale živých, nebo všickni jsou jemu živi.
39Toen namen sommigen van de schriftgeleerden het woord, en zeiden: Meester, Gij hebt goed gesproken;
39Tedy odpověděvše někteří z zákoníků, řekli: Mistře, dobře jsi pověděl.
40en ze durfden Hem geen vragen meer stellen.
40I neodvážili se jeho na nic více tázati.
41Nu sprak Hij tot hen: Hoe beweert men toch, dat de Christus de Zoon van David is?
41On pak řekl jim: Kterak někteří praví Krista býti synem Davidovým?
42Want David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand,
42A sám David praví v knihách Žalmových: Řekl Pán Pánu mému: Seď na pravici mé,
43Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten.
43Ažť i položím nepřátely tvé v podnož noh tvých.
44David noemt Hem dus Heer; hoe is Hij dan zijn Zoon?
44Poněvadž David jej Pánem nazývá, i kterakž syn jeho jest?
45En terwijl al het volk het hoorde, sprak Hij tot zijn leerlingen:
45I řekl učedlníkům svým přede vším lidem:
46Wacht u voor de schriftgeleerden, die er van houden in lange gewaden rond te lopen en op de markt te worden begroet; die de eerste zetels begeren in de synagogen, en de eerste plaatsen aan de gastmalen;
46Varujte se od zákoníků, kteříž rádi chodí v krásném rouše a milují pozdravování na trzích a přední stolice v školách a první místo na večeřích,
47die het goed der weduwen verslinden, en voor de schijn lange gebeden verrichten. Ze zullen des te strenger worden gevonnist.
47Kteříž zžírají domy vdovské pod zámyslem dlouhé modlitby. Tiť vezmou těžší odsouzení.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.