Lucas 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Daarna stelde de Heer nog twee en zeventig anderen aan, en zond ze twee aan twee voor Zich uit naar elke stad of plaats, waar Hij zelf naar toe wilde gaan.
1Potom pak vyvolil Pán i jiných sedmdesát, a poslal je po dvou před tváří svou do každého města i místa, kamž měl sám přijíti.
2En Hij sprak tot hen: De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Vraagt dus den Heer van de oogst, dat Hij werklieden zendt in zijn oogst. —
2A pravil jim: Žeň zajisté jest mnohá, ale dělníků málo. Protož proste Pána žni, ať vypudí dělníky na žeň svou.
3Gaat heen; zie, Ik zend u als lammeren midden onder de wolven.
3Jdětež. Aj, já posílám vás jako berany mezi vlky.
4Draagt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoenen; en groet niemand onderweg. —
4Nenostež s sebou pytlíka, ani mošny, ani obuvi, a žádného na cestě nepozdravujte.
5Wanneer gij een huis binnenkomt, zegt dan eerst: Vrede aan dit huis!
5A do kteréhožkoli domu vejdete, nejprve rcete: Pokoj tomuto domu.
6En als daar een kind van de vrede woont, zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert hij terug op u.
6A bude-liť tu který syn pokoje, odpočineť na něm pokoj váš; pakli nic, k vámť se navrátí.
7Blijft in dat huis; eet en drinkt wat men er heeft; want de arbeider heeft recht op zijn loon. Gaat niet van het ene huis naar het andere. —
7A v témž domu ostaňte, jedouce a pijíce, což u nich jest. Nebo hoden jest dělník mzdy své. Nechoďtež z domu do domu.
8En in welke stad gij ook komt, waar men u ontvangt, eet wat u wordt voorgezet;
8Ale do kteréhožkoli města vešli byste a přijali by vás, jezte, což před vás předloží.
9geneest de zieken die er zijn, en zegt hun: Het koninkrijk Gods is nabij.
9A uzdravujte nemocné, kteříž by v něm byli, a rcete jim: Přiblížiloť se k vám království Boží.
10Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat uit op haar pleinen, en zegt:
10A do kteréhožkoli města vešli byste, a nepřijali by vás, vyjdouce na ulice jeho, rcetež:
11Zelfs het stof uwer stad, dat aan onze voeten kleeft, schudden we tegen u af; toch moet gij weten: het koninkrijk Gods is nabij.
11Také i ten prach, kterýž se přichytil nás z města vašeho, vyrážíme na vás. Ale však to vězte, žeť se jest přiblížilo k vám království Boží.
12Ik zeg u: Voor Sódoma zal het dragelijker zijn op die dag dan voor die stad. —
12Pravím zajisté vám, že Sodomským v onen den lehčeji bude nežli tomu městu.
13Wee u, Korazin, wee u, Betsáida; want zo in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, dan zouden ze reeds lang in zak en as zijn gezeten, en boete hebben gedaan.
13Běda tobě Korozaim, běda tobě Betsaido. Nebo kdyby v Týru a v Sidonu činěni byli divové ti, kteříž v vás činěni jsou, dávno by v žíni a v popele sedíce, pokání činili.
14Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn in het oordeel dan voor u.
14A protož Týru a Sidonu lehčeji bude na soudu nežli vám.
15En gij Kafárnaum, zult ge tot de hemel toe worden verheven? Tot in de hel zult ge neerzinken. —
15A ty Kafarnaum, které jsi až do nebe zvýšeno, až do pekla sníženo budeš.
16Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, versmaadt Mij; maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem die Mij heeft gezonden.
16Kdož vás slyší, mne slyší; a kdo vámi pohrdá, mnou pohrdá; kdož pak mnou pohrdá, pohrdáť tím, kdož mne poslal.
17Toen de twee en zeventig waren teruggekeerd, zeiden ze verheugd: Heer, zelfs de duivels zijn ons onderworpen in uw Naam.
17Potom navrátilo se s radostí těch sedmdesáte, řkouce: Pane, také i ďáblové se nám poddávají ve jménu tvém.
18Hij sprak tot hen: Ik zag satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
18I řekl jim: Viděl jsem satana jako blesk padajícího s nebe.
19Zie, Ik heb u de macht gegeven, om op slangen en schorpioenen te trappen, en macht over heel de kracht van den vijand: niets zal u deren.
19Aj, dávámť vám moc šlapati na hady a na štíry i na všelikou moc nepřítele, a nic vám neuškodí.
20Maar verheugt u niet, omdat de duivels u onderworpen zijn; verheugt u, omdat uw namen opgeschreven staan in de hemel.
20Avšak z toho se neradujte, žeť se vám poddávají duchové, ale raději se radujte, že jména vaše napsána jsou v nebesích.
21Toen jubelde Hij het uit in den Heiligen Geest, en sprak: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, en aan kleinen geopenbaard. Ja, Vader, zó is uw welbehagen geweest.
21V tu hodinu rozveselil se v duchu Ježíš, a řekl: Chválím tě, Otče, Pane nebe i země, že jsi tyto věci skryl před moudrými a opatrnými, a zjevils je maličkým. Ovšem, Otče, neb tak se líbilo před tebou.
22Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader alleen; of wie de Vader is, dan de Zoon alleen, en hij, wien de Zoon het openbaren wil.
22Všecky věci dány jsou mi od Otce mého, a žádný neví, kdo by byl Syn, jediné Otec, a kdo by byl Otec, jediné Syn, a komuž by chtěl Syn zjeviti.
23Nu wendde Hij Zich tot zijn leerlingen alleen, en sprak: Zalig de ogen, die zien wat gij ziet.
23A obrátiv se k učedlníkům obzvláštně, řekl: Blahoslavené oči, kteréž vidí, co vy vidíte.
24Ik zeg u: Vele profeten en koningen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
24Nebo pravím vám, že mnozí proroci i králové chtěli viděti, což vy vidíte, a neviděli, a slyšeti, což vy slyšíte, a neslyšeli.
25En zie, een wetgeleerde stond op, om Hem op de proef te stellen, en sprak: Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
25A aj, jeden zákoník vstal, pokoušeje ho, a řka: Mistře, co čině, život věčný dědičně obdržím?
26Hij zei hem: Wat staat er in de Wet geschreven; wat leest ge daar?
26A on řekl k němu: V Zákoně co jest psáno? Kterak čteš?
27Hij antwoordde: Gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht, en met heel uw verstand: en uw naaste als uzelf.
27A on odpověděv, řekl: Milovati budeš Pána Boha svého ze všeho srdce svého, a ze vší duše své, a ze vší síly své, i ze vší mysli své, a bližního svého jako sebe samého.
28Hij zei hem: Ge hebt goed geantwoord; doe dit en ge zult leven.
28I řekl mu Ježíš: Právě jsi odpověděl. To čiň, a živ budeš.
29Maar daar hij de schijn wilde redden, sprak hij tot Jesus: En wie is mijn naaste?
29On pak chtěje se sám ospravedlniti, dí Ježíšovi: A kdo jest můj bližní?
30Jesus hernam, en sprak: Eens reisde een man van Jerusalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; ze schudden hem uit, verwondden hem vreselijk, en lieten hem half dood achter.
30I odpověděv Ježíš, řekl: Èlověk jeden šel z Jeruzaléma do Jericho, i upadl mezi lotry. Kteříž obloupivše jej a zranivše, odešli, odpolu živého nechavše.
31Toevallig kwam een priester die weg langs; hij zag hem, en ging voorbij.
31I přihodilo se, že kněz jeden šel touž cestou, a uzřev jej, pominul.
32Ook een leviet kwam er langs; hij zag hem, en ging voorbij.
32Též i Levíta až k tomu místu přišed, a uzřev jej, pominul.
33Maar ook een Samaritaan, die op reis was, kwam voorbij; hij zag hem, en kreeg medelijden.
33Samaritán pak jeden, cestou se bera, přišel až k němu, a uzřev jej, milosrdenstvím hnut jest.
34Hij ging er naar toe, verbond zijn wonden, en goot er olie en wijn op; daarna hief hij hem op zijn eigen lastdier, bracht hem naar een herberg, en zorgde voor hem.
34A přistoupě, uvázal rány jeho, naliv oleje a vína, a vloživ jej na hovado své, vedl do hospody, a péči o něj měl.
35De volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze den waard, en zeide: Blijf voor hem zorgen; en wat ge er meer aan besteedt, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.
35Druhého pak dne odjíti maje, vyňav dva peníze, dal hospodáři, a řekl: Měj o něj péči, a cožkoli nad to vynaložíš, já když se vrátím, zaplatím tobě.
36Wat dunkt u; wie van de drie is de naaste geweest van hem, die in de handen der rovers viel?
36Kdo tedy z těch tří zdá se tobě bližním býti tomu, kterýž upadl mezi lotry?
37Hij sprak: Hij, die hem barmhartigheid bewees. En Jesus zeide hem: Ga, en doe gij evenzo.
37A on řekl: Ten, kterýž učinil milosrdenství nad ním. I řekl jemu Ježíš: Jdi, i ty učiň též.
38Op hun reis kwam Hij ook in zeker dorp, waar een vrouw, Marta geheten, Hem in haar huis ontving.
38I stalo se, když šli, že on všel do jednoho městečka. Žena pak jedna, jménem Marta, přijala jej do domu svého.
39Ze had een zuster, Maria genaamd, die mede aan Jesus’ voeten zat, en luisterde naar zijn woord.
39A ta měla sestru, jménem Mariji, kterážto seděci u noh Ježíšových, poslouchala slova jeho.
40Maar Marta was druk in de weer met bedienen. Ze kwam er een ogenblik bij staan, en sprak: Heer, is het U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dus, dat ze me helpt.
40Ale Marta pečliva byla při mnohé službě Pánu. Kterážto přistoupivši, řekla: Pane, nemáš-liž o to péče, že sestra má nechala mne samé sloužiti? Protož rci jí, ať mi pomůž.
41Maar de Heer gaf haar ten antwoord: Marta, Marta, over veel zijt ge bezorgd en bekommerd.
41A odpověděv, řekl jí Ježíš: Marta, Marta, pečlivá jsi, a rmoutíš se při mnohých věcech.
42Slechts één ding is noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.
42Ale jednohoť jest potřebí. Mariať dobrou stránku vyvolila, kterážto nebude odjata od ní.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.