Lucas 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Synodal Translation (Синодальный перевод)
1Daarna stelde de Heer nog twee en zeventig anderen aan, en zond ze twee aan twee voor Zich uit naar elke stad of plaats, waar Hij zelf naar toe wilde gaan.
1После сего избрал Господь и других семьдесят учеников, и послал их по два пред лицем Своим во всякий город и место, куда Сам хотел идти,
2En Hij sprak tot hen: De oogst is groot, maar werklieden zijn er weinig. Vraagt dus den Heer van de oogst, dat Hij werklieden zendt in zijn oogst. —
2и сказал им: жатвы много, а делателей мало; итак, молите Господина жатвы, чтобы выслал делателей на жатву Свою.
3Gaat heen; zie, Ik zend u als lammeren midden onder de wolven.
3Идите! Я посылаю вас, как агнцев среди волков.
4Draagt geen beurs mee, geen reiszak, geen schoenen; en groet niemand onderweg. —
4Не берите ни мешка, ни сумы, ни обуви, и никого на дороге не приветствуйте.
5Wanneer gij een huis binnenkomt, zegt dan eerst: Vrede aan dit huis!
5В какой дом войдете, сперва говорите: мир дому сему;
6En als daar een kind van de vrede woont, zal uw vrede op hem rusten; zo niet, dan keert hij terug op u.
6и если будет там сын мира, то почиет на нем мир ваш, а если нет, то к вам возвратится.
7Blijft in dat huis; eet en drinkt wat men er heeft; want de arbeider heeft recht op zijn loon. Gaat niet van het ene huis naar het andere. —
7В доме же том оставайтесь, ешьте и пейте, что у них есть, ибо трудящийся достоин награды за труды свои; не переходите из дома в дом.
8En in welke stad gij ook komt, waar men u ontvangt, eet wat u wordt voorgezet;
8И если придете в какой город и примут вас, ешьте, что вам предложат,
9geneest de zieken die er zijn, en zegt hun: Het koninkrijk Gods is nabij.
9и исцеляйте находящихся в нем больных, и говорите им: приблизилось к вам Царствие Божие.
10Maar als gij in een stad komt, waar men u niet ontvangt, gaat uit op haar pleinen, en zegt:
10Если же придете в какой город и не примут вас, то, выйдя на улицу, скажите:.
11Zelfs het stof uwer stad, dat aan onze voeten kleeft, schudden we tegen u af; toch moet gij weten: het koninkrijk Gods is nabij.
11и прах, прилипший к нам от вашего города, отрясаем вам; однако же знайте, что приблизилось к вам Царствие Божие.
12Ik zeg u: Voor Sódoma zal het dragelijker zijn op die dag dan voor die stad. —
12Сказываю вам, что Содому в день оный будет отраднее, нежели городу тому.
13Wee u, Korazin, wee u, Betsáida; want zo in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, dan zouden ze reeds lang in zak en as zijn gezeten, en boete hebben gedaan.
13Горе тебе, Хоразин! горе тебе, Вифсаида! ибо если бы в Тире и Сидоне явлены были силы, явленные в вас, то давно бы они, сидя во вретище и пепле, покаялись;
14Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn in het oordeel dan voor u.
14но и Тиру и Сидону отраднее будет на суде, нежели вам.
15En gij Kafárnaum, zult ge tot de hemel toe worden verheven? Tot in de hel zult ge neerzinken. —
15И ты, Капернаум, до неба вознесшийся, до ада низвергнешься.
16Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, versmaadt Mij; maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem die Mij heeft gezonden.
16Слушающий вас Меня слушает, и отвергающийся вас Меня отвергается; а отвергающийся Меня отвергается Пославшего Меня.
17Toen de twee en zeventig waren teruggekeerd, zeiden ze verheugd: Heer, zelfs de duivels zijn ons onderworpen in uw Naam.
17Семьдесят учеников возвратились с радостью и говорили: Господи! и бесы повинуются нам о имени Твоем.
18Hij sprak tot hen: Ik zag satan als een bliksemstraal uit de hemel vallen.
18Он же сказал им: Я видел сатану, спадшего с неба, как молнию;
19Zie, Ik heb u de macht gegeven, om op slangen en schorpioenen te trappen, en macht over heel de kracht van den vijand: niets zal u deren.
19се, даю вам власть наступать на змей и скорпионов и на всю силу вражью, и ничто не повредит вам;
20Maar verheugt u niet, omdat de duivels u onderworpen zijn; verheugt u, omdat uw namen opgeschreven staan in de hemel.
20однакож тому не радуйтесь, что духи вам повинуются, но радуйтесь тому, что имена ваши написаны на небесах.
21Toen jubelde Hij het uit in den Heiligen Geest, en sprak: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen, en aan kleinen geopenbaard. Ja, Vader, zó is uw welbehagen geweest.
21В тот час возрадовался духом Иисус и сказал: славлю Тебя, Отче, Господи неба и земли, что Ты утаил сие от мудрых и разумных и открыл младенцам. Ей, Отче! Ибо таково было Твое благоволение.
22Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader alleen; of wie de Vader is, dan de Zoon alleen, en hij, wien de Zoon het openbaren wil.
22И, обратившись к ученикам, сказал: все предано Мне Отцем Моим; и кто есть Сын, не знает никто, кроме Отца, и кто есть Отец, не знает никто, кроме Сына, и кому Сын хочет открыть.
23Nu wendde Hij Zich tot zijn leerlingen alleen, en sprak: Zalig de ogen, die zien wat gij ziet.
23И, обратившись к ученикам, сказал им особо: блаженны очи, видящие то, что вы видите!
24Ik zeg u: Vele profeten en koningen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
24ибо сказываю вам, что многие пророки и цари желали видеть, что вы видите, и не видели, и слышать, что вы слышите, и не слышали.
25En zie, een wetgeleerde stond op, om Hem op de proef te stellen, en sprak: Meester, wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen?
25И вот, один законник встал и, искушая Его, сказал: Учитель! что мне делать, чтобы наследовать жизнь вечную?
26Hij zei hem: Wat staat er in de Wet geschreven; wat leest ge daar?
26Он же сказал ему: в законе что написано? как читаешь?
27Hij antwoordde: Gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht, en met heel uw verstand: en uw naaste als uzelf.
27Он сказал в ответ: возлюби Господа Бога твоего всем сердцем твоим, и всею душею твоею, и всею крепостию твоею, и всем разумением твоим, и ближнего твоего, как самого себя.
28Hij zei hem: Ge hebt goed geantwoord; doe dit en ge zult leven.
28Иисус сказал ему: правильно ты отвечал; так поступай, и будешь жить.
29Maar daar hij de schijn wilde redden, sprak hij tot Jesus: En wie is mijn naaste?
29Но он, желая оправдать себя, сказал Иисусу: а кто мой ближний?
30Jesus hernam, en sprak: Eens reisde een man van Jerusalem naar Jericho, en viel in handen van rovers; ze schudden hem uit, verwondden hem vreselijk, en lieten hem half dood achter.
30На это сказал Иисус: некоторый человек шел из Иерусалима в Иерихон и попался разбойникам, которые сняли с него одежду, изранили его и ушли, оставив его едва живым.
31Toevallig kwam een priester die weg langs; hij zag hem, en ging voorbij.
31По случаю один священник шел тою дорогою и, увидев его, прошел мимо.
32Ook een leviet kwam er langs; hij zag hem, en ging voorbij.
32Также и левит, быв на том месте, подошел, посмотрел и прошел мимо.
33Maar ook een Samaritaan, die op reis was, kwam voorbij; hij zag hem, en kreeg medelijden.
33Самарянин же некто, проезжая, нашел на него и, увидев его, сжалился
34Hij ging er naar toe, verbond zijn wonden, en goot er olie en wijn op; daarna hief hij hem op zijn eigen lastdier, bracht hem naar een herberg, en zorgde voor hem.
34и, подойдя, перевязал ему раны, возливая масло и вино; и, посадив его на своего осла, привез его в гостиницу и позаботился о нем;
35De volgende dag nam hij twee tienlingen, gaf ze den waard, en zeide: Blijf voor hem zorgen; en wat ge er meer aan besteedt, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.
35а на другой день, отъезжая, вынул два динария, дал содержателю гостиницы и сказал ему: позаботься о нем; и если издержишь что более, я, когда возвращусь, отдам тебе.
36Wat dunkt u; wie van de drie is de naaste geweest van hem, die in de handen der rovers viel?
36Кто из этих троих, думаешь ты, был ближний попавшемуся разбойникам?
37Hij sprak: Hij, die hem barmhartigheid bewees. En Jesus zeide hem: Ga, en doe gij evenzo.
37Он сказал: оказавший ему милость. Тогда Иисус сказал ему: иди, и ты поступай так же.
38Op hun reis kwam Hij ook in zeker dorp, waar een vrouw, Marta geheten, Hem in haar huis ontving.
38В продолжение пути их пришел Он в одно селение; здесь женщина, именем Марфа, приняла Его в дом свой;
39Ze had een zuster, Maria genaamd, die mede aan Jesus’ voeten zat, en luisterde naar zijn woord.
39у нее была сестра, именем Мария, которая села у ног Иисуса и слушала слово Его.
40Maar Marta was druk in de weer met bedienen. Ze kwam er een ogenblik bij staan, en sprak: Heer, is het U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dus, dat ze me helpt.
40Марфа же заботилась о большом угощении и, подойдя, сказала: Господи! или Тебе нужды нет, что сестра моя одну меня оставила служить? скажи ей, чтобы помогла мне.
41Maar de Heer gaf haar ten antwoord: Marta, Marta, over veel zijt ge bezorgd en bekommerd.
41Иисус же сказал ей в ответ: Марфа! Марфа! ты заботишься и суетишься о многом,
42Slechts één ding is noodzakelijk. Maria heeft het beste deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen worden.
42а одно только нужно; Мария же избрала благую часть, которая не отнимется у нее.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.