Lucas 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen Hij nu opkeek, zag Hij de rijken hun giften in de offerkist storten.
1Jésus, ayant levé les yeux, vit les riches qui mettaient leurs offrandes dans le tronc.
2Maar Hij zag ook een arme weduwe, die er twee penningen in wierp.
2Il vit aussi une pauvre veuve, qui y mettait deux petites pièces.
3En Hij sprak: Voorwaar, Ik zeg u: deze arme weduwe heeft er meer in gestort dan alle anderen.
3Et il dit: Je vous le dis en vérité, cette pauvre veuve a mis plus que tous les autres;
4Want allen hebben van hun overvloed geofferd, maar zij heeft van haar armoede gegeven, heel haar vermogen.
4car c’est de leur superflu que tous ceux-là ont mis des offrandes dans le tronc, mais elle a mis de son nécessaire, tout ce qu’elle avait pour vivre.
5Toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij versierd was met prachtige stenen en geschenken, sprak Hij:
5Comme quelques-uns parlaient des belles pierres et des offrandes qui faisaient l’ornement du temple, Jésus dit:
6Er zullen dagen komen, dat van al wat ge daar ziet, geen steen op de andere zal blijven, maar alles zal worden verwoest.
6Les jours viendront où, de ce que vous voyez, il ne restera pas pierre sur pierre qui ne soit renversée.
7Ze vroegen Hem: Meester, wanneer zal dat gebeuren, en wat zal het teken zijn, dat het op handen is?
7Ils lui demandèrent: Maître, quand donc cela arrivera-t-il, et à quel signe connaîtra-t-on que ces choses vont arriver?
8Hij sprak: Past op, dat gij u niet laat misleiden! Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben het; en de tijd is nabij. Gaat hen niet achterna.
8Jésus répondit: Prenez garde que vous ne soyez séduits. Car plusieurs viendront en mon nom, disant: C’est moi, et le temps approche. Ne les suivez pas.
9En wanneer gij hoort van oorlogen en omwentelingen, schrikt er niet van; want eerst moet dit alles gebeuren, en ook dan nog komt het einde niet dadelijk.
9Quand vous entendrez parler de guerres et de soulèvements, ne soyez pas effrayés, car il faut que ces choses arrivent premièrement. Mais ce ne sera pas encore la fin.
10Toen zeide Hij hun: Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk;
10Alors il leur dit: Une nation s’élèvera contre une nation, et un royaume contre un royaume;
11en er zullen geweldige aardbevingen zijn, en pest en hongersnood op verschillende plaatsen; verschrikkingen zullen er komen, en grote tekenen aan de hemel.
11il y aura de grands tremblements de terre, et, en divers lieux, des pestes et des famines; il y aura des phénomènes terribles, et de grands signes dans le ciel.
12Maar eer dit alles geschiedt, zal men de hand aan u slaan en u vervolgen; u in synagogen en kerkers brengen, u slepen voor koningen en landvoogden terwille van mijn Naam.
12Mais, avant tout cela, on mettra la main sur vous, et l’on vous persécutera; on vous livrera aux synagogues, on vous jettera en prison, on vous mènera devant des rois et devant des gouverneurs, à cause de mon nom.
13Dat zal u overkomen, omdat gij getuigenis afleggen moet.
13Cela vous arrivera pour que vous serviez de témoignage.
14Neemt dan bij uzelf het besluit, er niet bezorgd voor te zijn, hoe gij u verdedigen zult.
14Mettez-vous donc dans l’esprit de ne pas préméditer votre défense;
15Want Ik zal u een taal en wijsheid geven, die geen uwer tegenstanders zal kunnen weerstaan of weerspreken.
15car je vous donnerai une bouche et une sagesse à laquelle tous vos adversaires ne pourront résister ou contredire.
16Gij zult overgeleverd worden door ouders en broers, door bloedverwanten en vrienden; sommigen van u zal men doden.
16Vous serez livrés même par vos parents, par vos frères, par vos proches et par vos amis, et ils feront mourir plusieurs d’entre vous.
17En gij zult gehaat zijn bij allen terwille van mijn Naam;
17Vous serez haïs de tous, à cause de mon nom.
18maar geen haar op uw hoofd zal verloren gaan.
18Mais il ne se perdra pas un cheveu de votre tête;
19Door uw standvastigheid zult gij uw ziel behouden.
19par votre persévérance vous sauverez vos âmes.
20Wanneer gij Jerusalem door legers ziet ingesloten, weet dan, dat haar verwoesting nabij is.
20Lorsque vous verrez Jérusalem investie par des armées, sachez alors que sa désolation est proche.
21Laten zij, die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten; die binnen de stad zijn, er uittrekken, en die op het land zijn, er niet binnengaan.
21Alors, que ceux qui seront en Judée fuient dans les montagnes, que ceux qui seront au milieu de Jérusalem en sortent, et que ceux qui seront dans les champs n’entrent pas dans la ville.
22Want dat zijn dagen van wraak; en alles wat er geschreven staat, zal in vervulling gaan.
22Car ce seront des jours de vengeance, pour l’accomplissement de tout ce qui est écrit.
23Wee in die dagen de zwangere en de zogende vrouwen. Want daar zal grote ellende zijn in het land, en toorn over dit volk.
23Malheur aux femmes qui seront enceintes et à celles qui allaiteront en ces jours-là! Car il y aura une grande détresse dans le pays, et de la colère contre ce peuple.
24Ze zullen over de kling worden gejaagd, en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jerusalem zal door de heidenen worden vertrapt, tot de tijden der heidenen voorbij zullen zijn.
24Ils tomberont sous le tranchant de l’épée, ils seront emmenés captifs parmi toutes les nations, et Jérusalem sera foulée aux pieds par les nations, jusqu’à ce que les temps des nations soient accomplis.
25En er zullen tekenen zijn in zon en maan en sterren; en op de aarde doodsangst onder de volken, radeloos door het donderend geweld van de zee en de golven.
25Il y aura des signes dans le soleil, dans la lune et dans les étoiles. Et sur la terre, il y aura de l’angoisse chez les nations qui ne sauront que faire, au bruit de la mer et des flots,
26De mensen zullen verstijven van vrees en bange verwachting, van wat de wereld gaat overkomen; want de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
26les hommes rendant l’âme de terreur dans l’attente de ce qui surviendra pour la terre; car les puissances des cieux seront ébranlées.
27Dan zullen ze den Mensenzoon op een wolk zien komen, met grote macht en majesteit.
27Alors on verra le Fils de l’homme venant sur une nuée avec puissance et une grande gloire.
28Welnu, wanneer dit alles een aanvang gaat nemen, blikt op dan, en heft uw hoofden omhoog; want uw verlossing is nabij.
28Quand ces choses commenceront à arriver, redressez-vous et levez vos têtes, parce que votre délivrance approche.
29En Hij stelde hun een gelijkenis voor: Ziet naar de vijgeboom en alle andere bomen;
29Et il leur dit une comparaison: Voyez le figuier, et tous les arbres.
30zodra gij ze ziet uitbotten, dan weet gij ook, dat de zomer nabij is.
30Dès qu’ils ont poussé, vous connaissez de vous-mêmes, en regardant, que déjà l’été est proche.
31Zo ook, wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het koninkrijk Gods nabij is.
31De même, quand vous verrez ces choses arriver, sachez que le royaume de Dieu est proche.
32Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, vóórdat dit alles is geschied.
32Je vous le dis en vérité, cette génération ne passera point, que tout cela n’arrive.
33Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
33Le ciel et la terre passeront, mais mes paroles ne passeront point.
34Let op uzelf. Laat uw harten niet worden bezwaard door brasserij, dronkenschap en de zorgen des levens; en laat die dag u niet onverhoeds overvallen,
34Prenez garde à vous-mêmes, de crainte que vos cœurs ne s’appesantissent par les excès du manger et du boire, et par les soucis de la vie, et que ce jour ne vienne sur vous à l’improviste;
35als een strik. Want hij zal komen over allen, die de ganse aarde bewonen.
35car il viendra comme un filet sur tous ceux qui habitent sur la face de toute la terre.
36Waakt dus, en blijft altijd bidden, opdat gij ontkomen moogt aan dat alles, wat er gebeuren gaat; en opdat gij stand moogt houden voor het aanschijn van den Mensenzoon.
36Veillez donc et priez en tout temps, afin que vous ayez la force d’échapper à toutes ces choses qui arriveront, et de paraître debout devant le Fils de l’homme.
37Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar ‘s nachts ging Hij heen en bleef op de berg, die Olijfberg wordt genoemd.
37Pendant le jour, Jésus enseignait dans le temple, et il allait passer la nuit à la montagne appelée montagne des oliviers.
38En al het volk kwam ‘s morgens vroeg bij Hem in de tempel, om Hem te horen.
38Et tout le peuple, dès le matin, se rendait vers lui dans le temple pour l’écouter.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.