Lucas 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
World English Bible
1Toen Hij eens aan de oever van het meer van Gennézaret stond, drong de menigte op Hem aan, om het woord Gods te horen.
1Now while the multitude pressed on him and heard the word of God, he was standing by the lake of Gennesaret.
2Nu zag Hij twee boten liggen aan de oever van het meer; de vissers waren er uitgegaan, en spoelden de netten.
2He saw two boats standing by the lake, but the fishermen had gone out of them and were washing their nets.
3Hij stapte in een der boten, die aan Simon toebehoorde, en verzocht hem, een weinig van wal te steken. Hij zette Zich neer, en begon van de boot uit de menigte te onderrichten.
3He entered into one of the boats, which was Simon’s, and asked him to put out a little from the land. He sat down and taught the multitudes from the boat.
4Toen Hij zijn toespraak had beëindigd, zei Hij tot Simon: Steek nu verder van wal, en werp uw netten uit voor de vangst.
4When he had finished speaking, he said to Simon, “Put out into the deep and let down your nets for a catch.”
5Maar Simon antwoordde Hem: Meester, we hebben de hele nacht gewerkt, en niets gevangen; toch werp ik op uw woord de netten uit.
5Simon answered him, “Master, we worked all night and caught nothing; but at your word I will let down the net.”
6Ze deden het, en vingen zoveel vis, dat hun net er van scheurde.
6When they had done this, they caught a great multitude of fish, and their net was breaking.
7Nu wenkten ze hun makkers in de andere boot, om hen te komen helpen. Ze kwamen, en vulden beide boten tot zinkens toe.
7They beckoned to their partners in the other boat, that they should come and help them. They came and filled both boats, so that they began to sink.
8Toen Simon Petrus dit zag, viel hij Jesus te voet, en sprak: Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.
8But Simon Peter, when he saw it, fell down at Jesus’ knees, saying, “Depart from me, for I am a sinful man, Lord.”
9Ontzetting had hem aangegrepen over de vangst, die ze hadden gedaan; hem en allen die bij hem waren,
9For he was amazed, and all who were with him, at the catch of fish which they had caught;
10ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die tot de gezellen van Simon behoorden. Maar Jesus zei tot Simon: Vrees niet; van nu af zult ge mensen vangen.
10and so also were James and John, sons of Zebedee, who were partners with Simon. Jesus said to Simon, “Don’t be afraid. From now on you will be catching people alive.”
11Toen brachten ze de boten aan wal, verlieten alles, en volgden Hem.
11When they had brought their boats to land, they left everything, and followed him.
12Eens, dat Hij Zich in zekere stad bevond, was daar een man, die melaats was van onder tot boven. Toen hij Jesus zag, viel hij op zijn aangezicht neer, en smeekte Hem: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
12While he was in one of the cities, behold, there was a man full of leprosy. When he saw Jesus, he fell on his face and begged him, saying, “Lord, if you want to, you can make me clean.”
13Hij strekte de hand uit, raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond was zijn melaatsheid verdwenen.
13He stretched out his hand and touched him, saying, “I want to. Be made clean.” Immediately the leprosy left him.
14Hij beval hem, het niemand te zeggen, “maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer voor uw reiniging, wat Moses als bewijs voor hen heeft voorgeschreven.”
14He commanded him to tell no one, “But go your way and show yourself to the priest, and offer for your cleansing according to what Moses commanded, for a testimony to them.”
15Hoe langer hoe meer begon zich zijn faam te verbreiden. Talrijke scharen kwamen bijeen, om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen.
15But the report concerning him spread much more, and great multitudes came together to hear and to be healed by him of their infirmities.
16Maar Hij trok Zich in de eenzaamheid terug, om te bidden.
16But he withdrew himself into the desert and prayed.
17Op zekere dag was Hij bezig met onderricht te geven, toen er ook farizeën bij kwamen zitten en wetgeleerden, die uit alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jerusalem waren gekomen. En de kracht des Heren deed Hem genezingen verrichten.
17On one of those days, he was teaching; and there were Pharisees and teachers of the law sitting by who had come out of every village of Galilee, Judea, and Jerusalem. The power of the Lord was with him to heal them.
18Zie, daar brachten enige mannen op een rustbed een man, die verlamd was; ze trachtten hem binnen te dragen, en voor Hem neer te leggen.
18Behold, men brought a paralyzed man on a cot, and they sought to bring him in to lay before Jesus.
19Daar ze hem echter wegens de menigte niet naar binnen konden brengen, klommen ze op het dak, en lieten hem met het bed door het dak naar beneden, midden in het huis en vóór Jesus.
19Not finding a way to bring him in because of the multitude, they went up to the housetop and let him down through the tiles with his cot into the middle before Jesus.
20Toen Hij hun geloof zag, zeide Hij: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
20Seeing their faith, he said to him, “Man, your sins are forgiven you.”
21Maar de schriftgeleerden en farizeën begonnen zich af te vragen: Wie is Hij dan toch? Hij zegt godslasteringen! Wie kan zonden vergeven, dan God alleen?
21The scribes and the Pharisees began to reason, saying, “Who is this who speaks blasphemies? Who can forgive sins, but God alone?”
22Jesus, die hun gedachten kende, nam het woord en zei hun: Wat overlegt gij nog bij uzelf?
22But Jesus, perceiving their thoughts, answered them, “Why are you reasoning so in your hearts?
23Wat is gemakkelijker te zeggen: uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: sta op, en ga heen?
23Which is easier to say, ‘Your sins are forgiven you,’ or to say, ‘Arise and walk’?
24Welnu, opdat gij weten moogt, dat de Mensenzoon macht heeft op aarde, om zonden te vergeven, (hier sprak Hij tot den lamme:) Ik zeg u: Sta op, neem uw bed, en ga naar huis.
24But that you may know that the Son of Man has authority on earth to forgive sins,” he said to the paralyzed man, “I tell you, arise, take up your cot, and go to your house.”
25Onmiddellijk stond hij op voor aller ogen, nam zijn bed, ging naar huis, en verheerlijkte God onderweg.
25Immediately he rose up before them, and took up that which he was laying on, and departed to his house, glorifying God.
26Allen stonden verbaasd, en loofden God; ze werden door vrees bevangen, en zeiden: We hebben heden wonderbare dingen gezien.
26Amazement took hold on all, and they glorified God. They were filled with fear, saying, “We have seen strange things today.”
27Toen Hij daarna verder ging, zag Hij een tollenaar, Levi genaamd, aan het tolhuis zitten. Hij zeide hem: Volg Mij.
27After these things he went out and saw a tax collector named Levi sitting at the tax office, and said to him, “Follow me!”
28En hij stond op, liet alles achter, en volgde Hem.
28He left everything, and rose up and followed him.
29Nu richtte Levi in zijn huis een groot gastmaal voor Hem aan; en een talrijke menigte van tollenaars en anderen lagen met hen aan tafel aan.
29Levi made a great feast for him in his house. There was a great crowd of tax collectors and others who were reclining with them.
30De farizeën en schriftgeleerden morden daarover tegen zijn leerlingen, en zeiden: Waarom eet en drinkt gij met de tollenaars en zondaars?
30Their scribes and the Pharisees murmured against his disciples, saying, “Why do you eat and drink with the tax collectors and sinners?”
31Jesus gaf hun ten antwoord: De gezonden hebben geen geneesheer nodig, wel de zieken.
31Jesus answered them, “Those who are healthy have no need for a physician, but those who are sick do.
32Ik ben niet gekomen, om de rechtvaardigen te roepen, maar wel de zondaars, om ze te bekeren.
32I have not come to call the righteous, but sinners, to repentance.”
33Ze zeiden tot Hem: De leerlingen van Johannes en die der farizeën vasten en bidden dikwijls, maar de uwen eten en drinken.
33They said to him, “Why do John’s disciples often fast and pray, likewise also the disciples of the Pharisees, but yours eat and drink?”
34Jesus zei hun: Kunt gij dan de bruiloftsgasten laten vasten, zolang de bruidegom bij hen is?
34He said to them, “Can you make the friends of the bridegroom fast while the bridegroom is with them?
35Maar er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen wordt weggenomen; in die dagen zullen ze vasten.
35But the days will come when the bridegroom will be taken away from them. Then they will fast in those days.”
36Ook sprak Hij tot hen de volgende gelijkenis: Niemand scheurt een lap uit een nieuw kleed, om hem op een oud kleed te zetten; anders scheurt hij het nieuwe kleed stuk, terwijl de lap van het nieuwe toch niet bij het oude past.
36He also told a parable to them. “No one puts a piece from a new garment on an old garment, or else he will tear the new, and also the piece from the new will not match the old.
37Ook giet niemand nieuwe wijn in oude zakken; anders doet de nieuwe wijn de zakken bersten; de wijn loopt weg, en de zakken gaan verloren.
37No one puts new wine into old wineskins, or else the new wine will burst the skins, and it will be spilled and the skins will be destroyed.
38Neen, nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen.
38But new wine must be put into fresh wineskins, and both are preserved.
39En niemand, die oude wijn heeft te drinken, verlangt naar de nieuwe; want hij zegt: de oude is best.
39No man having drunk old wine immediately desires new, for he says, ‘The old is better.’”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.